In deze civiele zaak in hoger beroep heeft verzoekster zich verzet tegen de afwijzing door de kantonrechter van haar verzoek tot opheffing van het meerderjarigenbewind of tot benoeming van een andere bewindvoerder. Het bewind was ingesteld over haar goederen vanwege haar financiële situatie.
Verzoekster stelde dat zij inmiddels in staat was haar financiën zelfstandig te beheren en geen vertrouwen meer had in de huidige bewindvoerder. Het hof heeft echter vastgesteld dat het bewind ambtshalve door de kantonrechter was opgeheven op 29 maart 2021, nog vóór de mondelinge behandeling van het hoger beroep.
Omdat het bewind reeds was beëindigd, oordeelde het hof dat verzoekster geen concreet belang meer had bij de beoordeling van haar hoger beroep. Verzoekster is niet verschenen bij de mondelinge behandeling en heeft haar standpunt niet nader toegelicht. Het hof heeft daarom het hoger beroep afgewezen en de verzoeken van verzoekster verworpen.