Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8831422 \ CV EXPL 20-5561)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 11 mei 2021;
- de memorie van grieven met de producties 1 tot en met 4;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
kantonrechteroverwoog in het bestreden vonnis:
- de stelplicht en bewijslast (grief 1);
- rov. 2.5. (het verspillen van goederen) van het bestreden vonnis (grief 2);
- de proceskostenveroordeling.
[appellante]heeft de grief als volgt toegelicht.
hofoverweegt als volgt.
[appellante]is rov. 2.5. van het bestreden vonnis onbegrijpelijk. Zij heeft ten overstaan van de kantonrechter geen beroep gedaan op het bepaalde in art. 1:164 BW Pro.
[geïntimeerde]kan de overwegingen van de kantonrechter niet duiden. Indien de grief echter slaagt, leidt deze niet tot een vernietiging van het bestreden vonnis.
hofstelt vast dat [appellante] met haar grief geen wijziging van het bestreden vonnis beoogt. Deze grief behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.
[appellante]heeft de kantonrechter haar ten onrechte in de proceskosten veroordeeld. De vordering van [geïntimeerde] dient te worden afgewezen, zodat ook die proceskostenveroordeling moet worden vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties dient te worden veroordeeld.
hofstelt vast dat partijen voormalige echtgenoten zijn. Het hof zal daarom met toepassing van art. 237 jo Pro. art. 353 Rv Pro de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt. De grief slaagt daarom gedeeltelijk. Het hof zal aldus de proceskosten in beide instanties compenseren in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.