ECLI:NL:GHSHE:2021:3328
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging uithuisplaatsing minderjarige na spoedmachtiging en voorlopige ondertoezichtstelling
In deze zaak is de moeder in hoger beroep gekomen tegen beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin haar minderjarige kind voorlopig onder toezicht is gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. De moeder betwist de rechtmatigheid van deze maatregelen en voert onder meer aan dat de Raad voor de Kinderbescherming niet de juiste procespartij is en dat de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing niet zijn vervuld.
Het hof overweegt dat de Raad namens de Minister van Justitie en Veiligheid optreedt en dat de moeder's formele bezwaren ongegrond zijn. Verder staat hoger beroep tegen de voorlopige ondertoezichtstelling niet open. Het hof beoordeelt de feiten en concludeert dat er sprake is van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de minderjarige, onder meer door het drugsgebruik van de moeder, haar onbetrouwbaarheid tijdens bezoekmomenten en het niet nakomen van afspraken.
De spoedmachtiging en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom terecht verleend en het verblijf in het netwerkpleeggezin is noodzakelijk. Het hof wijst de verzoeken van de moeder af en bekrachtigt de bestreden beschikkingen van de rechtbank. Tevens wordt een afschrift van de uitspraak toegezonden aan het centraal gezagsregister.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige en wijst het hoger beroep van de moeder af.