ECLI:NL:GHSHE:2021:3192

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 oktober 2021
Publicatiedatum
21 oktober 2021
Zaaknummer
200.297.588_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BWArt. 810 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid moeder in hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind was verleend. Zij verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) af te wijzen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar hoger beroep ingetrokken nadat de GI had aangegeven de machtiging niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden ten uitvoer te zullen leggen. De GI maakte geen bezwaar tegen deze intrekking.

Het hof concludeerde hieruit dat de grieven van de moeder niet meer worden gehandhaafd en verklaarde haar niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De minderjarige had de gelegenheid gekregen zijn mening te uiten, wat via een brief tijdens de zitting is voorgelezen.

Deze beslissing betekent dat het hoger beroep van de moeder niet inhoudelijk is behandeld vanwege de intrekking en de toezegging van de GI.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 21 oktober 2021
Zaaknummer : 200.297.588/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/292342 / JE RK 21-1041, C/03/292357 / JE RK 21-1047 en
C/03/292354 / JE RK 21-1045
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.H.S. Brinkman,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
Regio Zuid-Limburg, locatie [locatie],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
Deze zaak gaat over: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats].
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie],
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 juni 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift van 16 juli 2021, met productie, ingekomen bij het hof op 21 juli 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft van [minderjarige] af te wijzen, althans een voorziening te treffen die het hof in goede justitie vermeent te behoren.
2.2.
De GI heeft op 26 augustus 2021 een verweerschrift ingediend en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:
- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 1 oktober 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI].
2.4.1.
De raad is, met kennisgeving vooraf, niet tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verschenen.
2.5.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hiervan gebruik gemaakt en op de mondelinge behandeling is door de moeder van [minderjarige] een door [minderjarige] geschreven brief overhandigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief voorgelezen.

3.De beoordeling

3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van de moeder het door haar ingediende hoger beroep ingetrokken. De directe aanleiding hiervoor was dat de GI heeft aangegeven de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet meer ten uitvoer te zullen leggen binnen het verstrijken van de termijn van drie maanden, zoals bedoeld in artikel 1:265c BW lid 3. De GI heeft geen bezwaar geuit tegen de intrekking.
Het hof maakt hieruit op dat de grieven niet meer worden gehandhaafd. Dat betekent dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.D.M. Lamers en A.M. van Riemsdijk en is op 21 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.