Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar vijf minderjarige kinderen. De kinderen zijn sinds mei 2020 onder toezicht gesteld en verblijven in een gezinshuis vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen.
De moeder betwist de noodzaak van de verlenging en stelt dat de uithuisplaatsing onvoldoende is gemotiveerd en niet in het belang van de kinderen is. Zij wijst op positieve rapportages van een betrokken instantie en benadrukt haar bereidheid tot begeleiding en hulpverlening. De gecertificeerde instelling (GI) stelt daarentegen dat de kinderen ernstige gedragsproblemen en leerachterstanden vertonen, met onder meer tekenen van Foetaal Alcohol Syndroom, en dat de thuissituatie van de moeder onvoldoende veilig en stabiel is.
Het hof concludeert dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen krijgen in het gezinshuis de benodigde zorg en rust, terwijl de situatie thuis onvoldoende duidelijkheid biedt over de opvoedvaardigheden en draagkracht van de moeder. De verlenging is niet in strijd met het EVRM en IVRK. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.