Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
in beginselte betalen:
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Het geschil betreft de vaststelling van kinderalimentatie na de echtscheiding van partijen in 2018. De vrouw vordert een hogere en met terugwerkende kracht vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. De rechtbank had eerder een lagere alimentatie vastgesteld, waartegen de vrouw in hoger beroep is gekomen.
Het hof beoordeelt de draagkracht van de man, die als zelfstandig ondernemer een markthandel exploiteert, en constateert dat de man vanaf april 2019 verplicht is kinderalimentatie te betalen. De draagkracht is berekend op basis van het winstaandeel uit de vennootschap en het arbeidsinkomen, waarbij de tijdelijke werkzaamheden als timmerman in 2020 zijn meegewogen. De vrouw erkent een maandelijkse kostenpost voor een dochter van € 68.
De behoefte van de kinderen wordt vastgesteld op € 786 per maand in 2019, met een zorgkorting van 25%. Het hof bepaalt de alimentatiebedragen voor verschillende perioden, waarbij het bedrag varieert van € 89 tot € 231,50 per kind per maand, en gaat uit van een indexering vanaf 1 januari 2021. Tevens wordt bepaald dat teveel betaalde bedragen niet hoeven te worden terugbetaald of verrekend.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de kinderalimentatie betreft en het echtscheidingsconvenant wordt gewijzigd. Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het overige verzoek af.
Uitkomst: Het hof wijzigt de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2019 en stelt verschillende bedragen vast voor diverse perioden, met indexering vanaf 2021.