In deze civiele zaak draait het om de samenwerking tussen een Nederlands uitzendbureau (appellant) en een Litouwse onderneming (BKP) die personeel uitleent. BKP factureerde appellant voor het doorlenen van personeel, maar appellant betaalde deels direct aan de werknemers van BKP. BKP vorderde betaling van openstaande bedragen, terwijl appellant tegenvorderingen instelde wegens onder meer onbetaalde lonen en het niet verstrekken van A1-verklaringen.
De rechtbank wees de vorderingen van BKP grotendeels toe, maar appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van het toegewezen bedrag en stelde dat zij de lonen aan werknemers had betaald uit eigen belang en dat sprake was van zaakwaarneming. Het hof oordeelde dat appellant de lonen aan werknemers inderdaad had betaald, maar dit niet als zaakwaarneming kon worden aangemerkt omdat het eigen belang voorop stond. Het hof stelde het bedrag dat BKP toekomt vast op €32.462,77 in plaats van €39.942,52.
Verder oordeelde het hof dat appellant onvoldoende had onderbouwd welke A1-verklaringen zij verlangde en dat het opschorten van betalingsverplichtingen wegens het niet verstrekken van deze verklaringen niet gerechtvaardigd was. De tegenvorderingen van appellant met betrekking tot facturen van aan haar verbonden vennootschappen werden afgewezen wegens onvoldoende specificatie.
Het hoger beroep tegen het tussenvonnis werd niet-ontvankelijk verklaard en de proceskosten van het hoger beroep werden aan appellant opgelegd. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021.