In deze ontnemingszaak bevestigt het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene is vastgesteld op €570.438. Betrokkene was verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. De verdediging voerde aan dat de periode waarover het voordeel werd berekend beperkt moest worden en dat het bedrag gematigd diende te worden vanwege legale inkomsten.
Het hof oordeelt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat betrokkene zich ook buiten de bewezenverklaarde feiten schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waardoor de periode niet beperkt wordt. Tevens is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat legale inkomsten het berekende voordeel verminderen. De kasopstelling waarop het bedrag is gebaseerd, wordt als wettig bewijs aanvaard.
Het hof constateert een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van circa vijf maanden zonder bijzondere omstandigheden, wat leidt tot een matiging van 5% van de betalingsverplichting. De betalingsverplichting wordt daardoor vastgesteld op €541.916. Tevens bepaalt het hof de maximale duur van de gijzeling op drie jaren, conform de wettelijke bepaling, omdat de berekende gijzelingstermijn anders zou overschrijden.
Het arrest bevestigt het vonnis van de rechtbank met deze aanpassingen en legt de betalingsverplichting en gijzelingstermijn definitief vast.