Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Vervanging van een raadsheer
3.De verdere beoordeling
De beer [betrokkene] kende ik via een commissionair, [commissionair] . Het paard [het paard] was het privé-eigendom van [betrokkene] , misschien ook van zijn vrouw. Het paard ging in die tijd al in de Grand Prix, maar hij wilde het wel verkopen omdat de kosten voor hem de pan uit rezen.
Ik ben sinds 2008 boekhouder van [de vennootschap] In die hoedanigheid adviseer ik de B.V. ook regelmatig. Wat het paard [het paard] betreft: in eerste instantie werd 40.000 euro voor dit paard gevraagd. Ik weet nu niet meer wanneer die prijs mij bekend is geworden, maar de eerste vraagprijs werd gevraagd een aantal jaren voordat het paard in 2015 werd verkocht. Het was de bedoeling om het paard [het paard] aan de partij in de US te verkopen, dhr. [appellant] . Ik had daarvoor een inkoopverklaring nodig voor de administratie, maar in dit geval was het zo dat het paard al een paar jaar bij mevrouw
nietvaststaat wat
[appellant]haar heeft verweten. Een verdergaande constatering is voor de beoordeling niet van belang, omdat het op de weg van [appellant] ligt zijn stellingen te bewijzen. Bovendien staat de lezing van [geïntimeerde] niet vast. Zij is immers niet steeds consequent over de gemaakte kosten, en onverklaard blijft waarom [betrokkene] heeft geschreven dat oorspronkelijk € 20.000,- met [geïntimeerde] was overeengekomen, maar dat zijn dierenarts daarna een afwijking bij het paard constateerde.
alledoor hem opgevoerde kosten bij realisatie van een opbrengst op de koopsom van het paard in Amerika in mindering kon brengen, voordat de netto opbrengst bij helfte zou worden verdeeld. In mindering kon dus worden gebracht USD 33.244,47, en niet slechts USD 12.813,56, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. De rekensom wordt daarmee als volgt.