Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- namens [appellant] , mr. Tuithof (via Skypeverbinding);
- namens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , mr. D.H. Mathijssen, waarnemend voor
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10 juni 2021 het faillissement van appellant bekrachtigd. Appellant was door de rechtbank Oost-Brabant failliet verklaard op verzoek van twee schuldeisers die opeisbare vorderingen hadden wegens onbetaalde goederen en diensten. Appellant betwistte niet de hoofdsommen, maar maakte bezwaar tegen de rente, incassokosten en faillissementskosten. Hij stelde tevens dat hij niet was opgehouden te betalen en dat er betalingsregelingen waren getroffen.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verscheen appellant niet zelf, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. De curator gaf aan dat essentiële administratieve stukken ontbraken, waardoor zijn vermogen niet goed kon worden vastgesteld. Wel bleek uit beschikbare stukken dat appellant een aanzienlijke schuldenlast had, waaronder fiscale en bancaire schulden, en dat er geen boedelactief was gerealiseerd. De curator achtte de kans op betaling van schulden gering.
Het hof oordeelde dat het faillissementsonderzoek beperkt is en dat de vorderingen van de schuldeisers summierlijk aannemelijk zijn. Er is sprake van meerdere schuldeisers en appellant verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Zijn stellingen over betalingsregelingen en tegenvorderingen waren onvoldoende onderbouwd. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het faillissement gehandhaafd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het faillissement van appellant wegens aannemelijke vorderingen, pluraliteit van schuldeisers en betalingsonmacht.