Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2021:1755

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2021
Publicatiedatum
10 juni 2021
Zaaknummer
200.261.917_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:247 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgangsregeling en contactherstel tussen minderjarige en vader

In deze zaak staat de omgang tussen een minderjarige en zijn vader centraal. De vader, appellant, wenst contact met zijn zoon, terwijl de moeder en haar partner zich tegen direct contact verzetten vanwege het psychische welbevinden van de moeder. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert dat contact op dit moment niet mogelijk is, met het oog op de stabiliteit van het gezin en de noodzaak van professionele begeleiding bij toekomstig contactherstel.

Het hof overweegt dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat het contactherstel nu moet worden ingezet om de ontwikkeling van een vaderbeeld mogelijk te maken. De verhalen van de ouders zijn tegenstrijdig en niet feitelijk onderbouwd, waardoor het hof kiest voor een begeleid traject bij De Combinatie Jeugdzorg.

De vader wordt opgedragen terughoudend te zijn en het traject te volgen, terwijl de moeder wordt aangespoord zich in te spannen voor het slagen van het traject. Het hof houdt de behandeling van verzoeken omtrent gezag, informatieregeling en achternaam aan en verwijst de zaak naar de meervoudige kamer voor verdere afdoening na het traject.

Uitkomst: Het hof verwijst partijen naar een begeleid contacthersteltraject en houdt verdere behandeling aan voor nadere rapportage.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 10 juni 2021
Zaaknummer: 200.261.917/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/306808 / FA RK 16-1810
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. H.M. Schurink-Smit,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de moeder
,
en
[partner moeder] ,
verweerder,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [partner moeder] .
advocaat: mr. E.L. Garnett
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, vestiging [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.

5.De beschikking van 18 juni 2020

5.1.
Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de raad een onderzoek dient in te stellen en advies dient uit te brengen over (kort gezegd) de mogelijkheden en belemmeringen voor contact c.q. omgang tussen [minderjarige] en de man en welke vorm van hulpverlening daarvoor noodzakelijk zou zijn.

6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:
- het rapport van de raad van 5 november 2020, ingekomen bij het hof op 6 november 2020;
- de brief van de advocaat van de man van 25 november 2020, ingekomen bij het hof op 26 november 2020;
- de brief van de advocaat van de moeder en [partner moeder] van 26 november 2020, ingekomen bij het hof op 27 november 2020.
6.2.
Het hof ziet aanleiding de zaak verder te vervolgen op basis van hetgeen hierna volgt.

7.De verdere beoordeling

7.1.
Uit de rapportage van de raad blijkt – kort gezegd – dat de raad op dit moment geen mogelijkheden ziet om het contact tussen [minderjarige] en zijn vader tot stand te laten komen. De grootste belemmering voor contact of omgang tussen de man en [minderjarige] is het psychische welbevinden van de moeder. Elke confrontatie met de vader (direct of indirect) roept bij de moeder angst op. De raad ziet in de nabije toekomst geen mogelijkheden bij de moeder om [minderjarige] te kunnen ondersteunen contact te hebben met de man. De moeder heeft rust en ruimte nodig om aan zichzelf te werken en haar behandeling te continueren. Van belang daarbij is dat de man stopt met het contact zoeken met de moeder. Ook voor [minderjarige] is het van belang dat er geen (nieuwe) negatieve situaties voordoen moet de man. De raad adviseert de man om jaarlijks met de verjaardag van [minderjarige] een kaartje of klein cadeautje te sturen. Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] zou het goed zijn wanneer er op termijn contact zou kunnen zijn tussen [minderjarige] en de man. De raad kiest er voor om het opgroeien in een stabiel gezinssysteem op dit moment prioriteit te geven boven het contact met de man. Als er op termijn mogelijkheden zijn voor contactherstel is het van groot belang dat dit onder professionele begeleiding gaat, bijvoorbeeld vanuit [instantie] van de Combinatie Jeugdzorg, aldus de raad.
7.2.
De man voert – kort samengevat – het volgende aan. De man is zeer teleurgesteld in de uitkomst van het rapport van de raad. De man probeert al sinds 2015 contact te krijgen met [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat [minderjarige] en de man contact hebben met elkaar en dat [minderjarige] weet dat zijn vader van hem houdt en hem heeft gewild. Zonder inmenging van derden zal [minderjarige] opgroeien met een zeer negatief vaderbeeld. De raad laat te onbepaald welke mogelijkheden er nu of in de toekomst wel zouden kunnen zijn voor contact.
De man verzoekt het hof vast te leggen dat de moeder de man maandelijks over het welzijn van [minderjarige] dient te informeren.
7.3.
De moeder en [partner moeder] voeren – kort samengevat – het volgende aan. Het negatieve beeld dat [minderjarige] heeft van zijn vader is (mede) door toedoen van de vader ontstaan. De raad heeft terecht geconcludeerd dat er op dit moment geen mogelijkheden zijn voor contactherstel.
De moeder acht een maandelijkse informatieverplichting te intensief en belastend. Zij is hier niet toe in staat en heeft rust nodig om haar trauma’s te verwerken.
7.4.
Het hof overweegt als volgt.
7.4.1.
Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang indien:
a: omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang;
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
7.4.2.
De raad ziet op dit moment geen mogelijkheden om tot contactherstel te komen en de moeder schaart zich achter het advies van de raad. De man kan zich hier niet bij neerleggen en wil graag dat het contact tussen hem en [minderjarige] wordt opgebouwd.
De moeder en [partner moeder] zijn op dit moment met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. De wet verplicht op grond van artikel 1:247 lid 3 BW Pro de ouder met het ouderlijk gezag de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Desalniettemin heeft [minderjarige] , die op dit moment zeven jaar oud is, al ongeveer vijf jaar geen contact met zijn vader. Het hof is van oordeel dat – mede vanuit het bepaalde in artikel 1:247 lid 3 BW Pro bezien – gewerkt moet worden aan contactherstel tussen [minderjarige] en zijn vader. Het hof acht dit in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is nu nog relatief jong en het hof ziet nú ingrijpen op dit moment als de enige en laatste kans in de jeugd van [minderjarige] om zich een eigen vaderbeeld te kunnen ontwikkelen en tot contactherstel te kunnen komen. Van belang daarbij is dat de verhalen van de ouders haaks op elkaar staan en niet door feiten zijn gestaafd, zodat daar geen waarheid aan te ontlenen is.
Dit betekent dat het hof de ouders zal doorverwijzen naar De Combinatie voor hulpverlening vanuit ‘’ [instantie] ’’, inhoudende dat de ouders hulpverlening krijgen voor de problematiek die hen verdeeld houdt, en daarnaast dat de omgang tussen [minderjarige] en de man onder begeleiding wordt opgebouwd. De Combinatie voorziet in een maatwerk-traject, inhoudende dat contactherstel en begeleide omgang plaats zal vinden rekening houdend met het tempo van [minderjarige] en dat de voortgang van het traject voortdurend gemonitord wordt.
7.4.3.
Voor de komende periode is het van groot belang dat de vader zich zeer terughoudend en uitsluitend op een in Nederland door de wet voorziene wijze opstelt richting [minderjarige] en de moeder en daarbij de regie volgt vanuit De Combinatie. Het hof gaat er vanuit dat de vader hier zijn volledige medewerking aan verleent.
Het hof zal het verzoek ten aanzien van het gezag, de informatieregeling en de achternaam aanhouden in afwachting van het traject bij De Combinatie. Wat deze verzoeken betreft dient de vader zich te realiseren dat hij van ver komt. Hij dient nu genoegen te nemen met een bescheiden positie. De moeder dient zich te realiseren dat zij zich optimaal dient in te spannen om het traject bij De Combinatie te laten slagen. Het hof houdt zich voor wat betreft de beoordeling van de nog voorliggende verzoeken alle rechten voor en wil het verloop van het traject verder afwachten. Het hof zal de zaak tenslotte verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere afdoening van deze zaak.

8.De beslissing

Het hof:
verwijst partijen voor een traject omgangsbegeleiding en hulpverlening voor de ouders naar [instantie] van De Combinatie Jeugdzorg te [locatie] aan de [adres] (telefoonnummer [telefoonnummer] ) en bepaalt dat de ouders binnen vier weken na het afgeven van deze beschikking zich aldaar aan dienen te melden;
verzoekt de advocaten van partijen tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum het hof schriftelijk in kennis te stellen van de rapportage van de Combinatie Jeugdzorg, het verloop en het resultaat van het hulpverleningstraject en het gewenste verdere verloop van de procedure;
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te zenden aan Combinatie Jeugdzorg;
houdt de verdere behandeling van deze zaak aan tot
PRO FORMA 3 december 2021;
verwijst de zaak voor de verdere voortzetting en behandeling naar de meervoudige kamer van het hof;
Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.R.M. van Leuven en is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2021 door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.