Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, die sinds 2019 bij pleegouders verblijft. De moeder betwist de noodzaak van verlenging en stelt dat zij inmiddels aan de voorwaarden voldoet voor terugplaatsing en dat een perspectiefonderzoek moet worden uitgevoerd.
Het hof overweegt dat de minderjarige sinds 2016 onder toezicht staat en sinds 2019 uit huis is geplaatst wegens zorgen over de verzorging, opvoeding en veiligheid. De gecertificeerde instelling (GI) heeft meerdere voorwaarden gesteld aan de moeder om terugplaatsing mogelijk te maken, gericht op stabiliteit, hulpverlening en opvoedvaardigheden. Uit evaluaties blijkt dat de moeder onvoldoende aan deze voorwaarden voldoet en dat een perspectiefonderzoek niet haalbaar is.
Hoewel de moeder recent een nieuwe woning heeft gevonden en hulpverlening krijgt, acht het hof dit een prille ontwikkeling die onvoldoende basis biedt voor terugplaatsing. Het belang van de minderjarige staat voorop, waarbij continuïteit en veiligheid in de huidige pleegzorgsituatie noodzakelijk zijn.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank die de machtiging tot uithuisplaatsing verlengt tot 28 november 2021 en wijst het beroep van de moeder af. De beslissing is genomen in het belang van de optimale verzorging en opvoeding van de minderjarige.