De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar minderjarige kind onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling voor de duur van 12 maanden. De moeder betoogde dat de situatie gestabiliseerd was door vrijwillige hulpverlening en dat een gedwongen ondertoezichtstelling onnodig en belastend was.
Tijdens de mondelinge behandeling werden de moeder, vader, de raad en de gecertificeerde instelling gehoord. De moeder erkende verbetering maar bleef weerstand bieden tegen hulpverlening gericht op haarzelf. De vader steunde de ondertoezichtstelling vanwege zorgen over de thuissituatie en de moeder's medewerking. De gecertificeerde instelling gaf aan dat de hulpverlening nog in de opstartfase was en dat er sprake was van spanningen en miscommunicatie tussen de ouders, wat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigt.
Het hof overwoog dat de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling waren vervuld. Er is sprake van een loyaliteitsconflict en spanningen tussen de ouders die de minderjarige emotioneel belasten. De moeder weigert noodzakelijke hulpverlening voor zichzelf, wat een patroon is dat doorbroken moet worden. Het hof achtte een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de bedreigingen voor de ontwikkeling van de minderjarige af te wenden en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank.
De beschikking werd uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2020 door drie raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.