Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant het verschuldigde saldo aan geïntimeerde verschuldigd was op grond van een vaststellingsovereenkomst. Het hof nam de inhoud van het tussenarrest over en hield een enquête en contra-enquête waarbij meerdere getuigen werden gehoord.
Het hof oordeelde dat geïntimeerde, die de bewijslast droeg, voldoende had aangetoond dat appellant het gevorderde bedrag voor geleverde goederen en diensten verschuldigd was. De getuigenverklaringen aan de zijde van geïntimeerde werden als overtuigender beoordeeld dan die van appellant, mede vanwege tegenstrijdigheden in de verklaringen van appellant en zijn getuigen.
Op grond van de brief van 8 november 2012 werd vastgesteld dat partijen een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarin het saldo en de achterstand waren vastgelegd. Het hof verwierp alle grieven van appellant en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Verder wees het hof de vordering van geïntimeerde tot vergoeding van werkelijke proceskosten in hoger beroep af, omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden zoals misbruik van procesrecht. De proceskosten werden vastgesteld conform het liquidatietarief en appellant werd hoofdelijk veroordeeld tot betaling hiervan.
Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant tot betaling van het saldo en de proceskosten.