In deze civiele procedure in hoger beroep stond centraal of er per 1 januari 2002 langlopende inkoopcontracten bestonden tussen InCo-öp en leveranciers van micro-ingrediënten, en of er prijsverschillen waren tussen contractprijzen en marktprijzen die een vergoeding rechtvaardigden. Appellante vorderde een vergoeding van ruim €7,5 miljoen vermeerderd met wettelijke rente.
Het hof heeft uitgebreid getuigenverklaringen en bewijsstukken gewogen. Verschillende getuigen verklaarden over contractvormen en prijsafspraken, maar veel verklaringen waren gebaseerd op aannames, conclusies of waren onvoldoende specifiek over de relevante datum. Er was geen direct bewijs van langlopende contracten met een prijsvoordeel per 1 januari 2002. Ook schriftelijke bewijsstukken ontbraken.
Het hof concludeerde dat appellante niet het vereiste bewijs had geleverd voor het bestaan van dergelijke contracten en prijsverschillen. Hierdoor werd de goodwill, bestaande uit de waarde van contracten en contacten, op nihil gesteld. Cehave werd veroordeeld tot overname van de aandelen van appellante in InCo-öp tegen de intrinsieke waarde vermeerderd met een vergoeding voor margederving, totaal €391.024,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 juni 2007.
De eerdere vonnissen werden voor een deel vernietigd en voor het overige bekrachtigd. Proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.