Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
hierna te noemen: de raad.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De moeder was in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind had beëindigd en een gecertificeerde instelling tot voogd had benoemd.
De minderjarige was prematuur geboren en sinds december 2016 onder toezicht gesteld en met machtiging uit huis geplaatst. Sinds maart 2017 verblijft het kind onafgebroken in een pleeggezin waar zij goed gehecht is. De moeder betoogde dat zij haar zorg- en opvoedverantwoordelijkheid wel kan dragen en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar rechten en die van het kind op gezinsleven.
Het hof oordeelde dat het belang van het kind bij stabiliteit en voortzetting van het hechtingsproces zwaarder weegt dan het belang van de moeder om het gezag te behouden. De langdurige verblijfduur in het pleeggezin maakt terugkeer niet meer mogelijk. Het hof vond dat de gezagsbeëindiging voldoende was onderbouwd en dat internationale verdragen zoals het EVRM en IVRK dit niet verhinderen.
De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag over de minderjarige en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.