In deze civiele procedure stond de ontvankelijkheid van appellant in zijn verzet tegen een verstekvonnis centraal. Het hof vervolgde de beoordeling na een tussenarrest van december 2019 en hield getuigenverhoren in februari en mei 2020.
De kernvraag was of appellant tijdig in verzet was gekomen tegen het verstekvonnis van 4 februari 2010. Geïntimeerde stelde dat appellant in mei 2013 telefonisch contact had opgenomen met een medewerker, wat zou betekenen dat appellant bekend was met het vonnis en het verzet te laat was. Appellant betwistte dit contact en stelde dat hij in die periode in Polen verbleef en geen kennis had van het vonnis.
Het hof achtte het bewezen dat appellant in mei 2013 telefonisch contact had met de medewerker, mede omdat appellant plausibel kon zijn dat hij de beslagstukken had ingezien waarin het telefoonnummer van de medewerker stond. Dit leidde tot de conclusie dat appellant niet tijdig in verzet was gekomen en daarom niet-ontvankelijk werd verklaard. Het eerdere vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde.