Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2020:3025

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 oktober 2020
Publicatiedatum
1 oktober 2020
Zaaknummer
200.278.545_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:266 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder over minderjarige na langdurige pleegzorg

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind beëindigde en de Gecertificeerde Instelling tot voogd benoemde.

De minderjarige woont sinds zes maanden oud bij haar grootouders, de pleegouders, vanwege relationele, psychische en verslavingsproblematiek van de moeder. De moeder volgt een behandeling en woont in een begeleid wonen project. Ondanks haar positieve ontwikkelingen is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken en dat het verblijf bij de pleegouders stabiel en in het belang van het kind is.

Het hof overweegt dat beëindiging van het gezag gerechtvaardigd is omdat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kan dragen en dat terugplaatsing een ernstige ontwikkelingsbedreiging zou vormen. De moeder blijft een belangrijke rol in het leven van het kind houden, maar het gezag wordt beëindigd omwille van de stabiliteit en het welzijn van de minderjarige.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige beëindigt en de GI tot voogd benoemt.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 1 oktober 2020
Zaaknummer: 200.278.545/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/364319 / FA RK 19-5304
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.L. Witteveen,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI).
en
familie [de pleegouders] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1.
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking
van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 februari 2020.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift van 20 mei 2020, met producties, ingekomen ter griffie op 20 mei 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] met benoeming van de GI tot voogdes alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift van 11 juni 2020, met productie, ingekomen bij het hof op 15 juni 2020, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de rechtbank op 23 januari 2020;
- de brief van 3 juni 2020, met productie, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op 26 juni 2020;
- het V6-formulier van 25 augustus 2020, met productie, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge
behandeling verschenen.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de moeder is geboren:
- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
3.2.
[minderjarige] is erkend door de heer [erkenner] .
3.3.
De moeder en de heer [erkenner] oefenden het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over [minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 februari 2019 is het gezag van de heer [erkenner] beëindigd.
3.4.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 november 2019 tot 27 februari 2020.
3.5.
[minderjarige] verblijft sinds zij zes maanden oud is bij de pleegouders, zijnde de ouders van de
moeder. Dit verblijf is met ingang van 27 november 2019 geformaliseerd door een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing. Deze machtiging liep af op 27 februari 2020.
3.6.
Bij de bestreden beschikking van 25 februari 2020 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes genoemd. De moeder is veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind.
3.7.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.1.
De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan. De moeder wil het gezag over [minderjarige] behouden. Voor [minderjarige] , de moeder en de pleegouders staat vast dat [minderjarige] op zal groeien bij de pleegouders. Het gaat goed met de moeder. Zij woont met haar partner en hun dochtertje in een project voor begeleid wonen en is in behandeling voor haar verslavingsproblematiek. Gelet op deze positieve veranderingen concludeert de moeder dat de rechtbank ten onrechte aanneemt dat de moeder de zorg en opvoeding van [minderjarige] thans
niet kan dragen. Dit neemt niet weg dat de moeder wel meent dat, ondanks het goed genoeg ouderschap van de moeder, het in het belang van [minderjarige] is dat haar huidige opvoedsituatie stabiel blijft en dat zij bij de pleegouders dient op te groeien. Nu [minderjarige] niet wordt teruggeplaatst bij de moeder is er van een ontwikkelingsbedreiging geen sprake.
Ook concludeert de moeder dat de rechtbank ten onrechte aanneemt dat de aanvaardbare termijn thans is verstreken. [minderjarige] ervaart geen onduidelijkheid over haar opgroeiperspectief en het is ook niet aannemelijk dat [minderjarige] hiervan schade oploopt of dat dit in de toekomst het geval zal zijn. Nu de moeder duurzaam berust in de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders, is er ten onrechte door de rechtbank geen gebruik gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om het gezag van de moeder over [minderjarige] in stand te laten. [minderjarige] kan ook in het vrijwillig kader bij de pleegouders worden geplaatst.
3.8.
De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. [minderjarige] heeft in het pleeggezin de beste ontwikkelingskansen. [minderjarige] woont daar al lange tijd en doet het daar goed. De
aanvaardbare termijn is al lang verstreken. Een thuisplaatsing behoort niet meer tot de mogelijkheden. Een plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin in het vrijwillig kader is niet mogelijk, mede vanwege de verstoorde verhoudingen tussen het gezin van de moeder en dat van de pleegouders. Daar komt bij dat de moeder niet ondubbelzinnig uitspreekt dat [minderjarige] op zal groeien bij de pleegouders.
3.9.
De GI voert – kort samengevat – het volgende aan. Aan het huidig verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders moet niet meer getornd worden. [minderjarige] is aangemeld voor hulpverlening vanuit [organisatie] . [minderjarige] heeft te kampen met veel spanning in haar lijf als gevolg van de trauma’s die zij opgelopen heeft in haar leven. Hiervoor is traumaverwerking nodig. De moeder heeft zich tijdens het plan van aanpak hierover vijandig opgesteld richting de jeugdzorgwerker. Volgens de pleegmoeder is dit een terugkerend patroon en wijst de moeder hulpverlening af als ze kritisch zijn op de moeder.
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
3.10.1.
De rechter kan op grond van artikel 1:266 BW Pro het gezag van een ouder beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid ( [link] ), in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
3.10.2.
Er is geen sprake van misbruik van gezag. Daarmee ligt ter beoordeling voor de vraag of er aanleiding is voor een beëindiging van het gezag op grond van onderdeel a van artikel 1:266 lid 1 BW Pro.
3.10.3.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de vereisten van artikel 1:266 sub a BW Pro. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.10.4.
[minderjarige] woont sinds zij zes maanden oud is - met instemming van de moeder - in het pleeggezin van haar opa en oma. De aanleiding hiervoor was onder meer de relationele-, psychische- en langdurige verslavingsproblematiek van de moeder. Inmiddels is [minderjarige] 5,5 jaar oud en woont zij bijna haar hele leven in het pleeggezin. Uit het raadsrapport van 15
oktober 2019 blijkt dat er binnen het vrijwillige hulpverleningskader reeds in april 2018 het opvoedbesluit is genomen dat [minderjarige] op zal groeien bij de pleegouders. De moeder woont sinds begin juni 2019 met haar partner, en hun dochtertje [dochter] , in een kliniek van Stichting [stichting] te [plaats] . De moeder krijgt daar een behandeling voor haar (verslavings)problematiek en wil een opleiding gaan volgen. De moeder geeft aan dat zij sinds haar verblijf in de kliniek clean is en dat er geen sprake meer is van huiselijk geweld. De moeder erkent in het beroepschrift dat deze (prille) positieve ontwikkelingen te lang hebben geduurd voor [minderjarige] , waardoor de huidige stabiliteit in de opvoedsituatie dient te prevaleren. Gebleken is immers dat [minderjarige] het goed doet in deze stabiele opvoedomgeving, daar is ingegroeid en de hulpverlening krijgt die zij nodig heeft voor de verwerking van haar trauma’s. Ook blijkt uit de stukken dat [minderjarige] met de voor haar vertrouwde opvoeders een hechtingsrelatie is aangegaan. Indien het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders wordt doorbroken, levert dit een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] op. Hoewel de moeder aangeeft duurzaam te berusten in het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin, heeft de moeder ook geuit dat [minderjarige] welkom is indien zij weer bij de moeder zou willen komen wonen. Ondanks dat de moeder dit standpunt tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft genuanceerd, blijkt mede hieruit de (invoelbare) hoop van de moeder dat [minderjarige] weer bij de moeder komt wonen. De raad heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat de moeder niet in staat is ondubbelzinnig uit te dragen dat [minderjarige] in het pleeggezin
hoort. De raad verwacht daardoor dat als [minderjarige] ouder wordt en mogelijk gaat aangeven bij haar moeder te willen wonen, de moeder op dat appel van [minderjarige] geen eenduidig antwoord kan geven. Dit risico is volgens het hof, zoals ook de raad aangeeft, schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat [minderjarige] te kampen heeft met veel spanning in haar lijf als gevolg van de trauma’s die zij opgelopen heeft in haar leven. Hiervoor is traumaverwerking nodig. Het is daarom voor de positieve ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk dat zij ook in de toekomst geen onzekerheid ervaart over de vraag of zij kan opgroeien in de huidige opvoedingsomgeving. Voorts staat vast dat het opvoedperspectief van [minderjarige] (al geruime tijd) in het pleeggezin ligt. Alles overziende betekent dit dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. De moeder is niet in staat geweest binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. De moeder erkent bovendien zelf dat haar persoonlijke ontwikkeling te lang heeft geduurd voor [minderjarige] . Nu niet meer naar een thuisplaatsing van [minderjarige] wordt toegewerkt, zijn een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer de geëigende maatregelen.
Anders dan de moeder betoogt, ziet het hof geen mogelijkheden voor een plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin binnen het vrijwillig kader. In 2018 is door de raad geconcludeerd dat een beëindiging van het gezag niet passend was, aangezien de mogelijkheden van een plaatsing in het vrijwillig kader nog niet waren onderzocht. De raad heeft dit vervolgens nader onderzocht en adviseert in het raadsonderzoek van 15 oktober 2019 dat een vrijwillige plaatsing niet in het belang van [minderjarige] is, mede in verband met de ambivalente houding van de moeder ten aanzien van het perspectief van [minderjarige] . Het hof neemt dit advies over en neemt daarbij nog in aanmerking dat de samenwerking ten aanzien van [minderjarige] tussen de moeder en de pleegouders kwetsbaar is vanwege de verstoorde verhouding tussen het gezinssysteem van de moeder en dat van het pleeggezin.
3.10.5.
Al deze omstandigheden tezamen brengen met zich dat het gezag van de moeder over [minderjarige] zal worden beëindigd. De moeder blijft echter een belangrijke plaats in het leven van [minderjarige] houden, en het is in het belang van het wederzijds contact tussen de moeder en [minderjarige] dat de moeder de positieve ontwikkelingen die zij doormaakt voortzet.
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant,
zittingsplaats Middelburg, van 25 februari 2020;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.N.M. Antens, mr. E.A.M. Scheij en mr. E.M.C. Dumoulin en is op 1 oktober 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.