Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige 1](hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2](hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft het hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin het ouderlijk gezag van de moeder over het jongste kind en het gezamenlijk gezag van de moeder en vader over het oudste kind werd beëindigd. De kinderen zijn sinds 2016 onder toezicht gesteld en langdurig uit huis geplaatst in een pleeggezin.
De moeder en (stief)vader voerden aan dat zij voldoende vooruitgang hadden geboekt en in staat waren de kinderen zelf op te voeden, en dat de gezagsbeëindiging niet noodzakelijk was. De gecertificeerde instelling (GI) stelde echter dat ondanks intensieve ondersteuning en begeleiding de thuissituatie onveilig bleef door huiselijk geweld, ruzies en alcoholmisbruik, en dat de kinderen gehecht zijn aan het pleeggezin.
Het hof overwoog dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding kunnen bieden die nodig is. Gezien de leeftijd van de kinderen en de langdurige uithuisplaatsing is terugplaatsing niet meer aan de orde. Het belang van continuïteit en duidelijkheid voor de kinderen maakt beëindiging van het gezag noodzakelijk.
Daarom werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het beroep van de moeder en (stief)vader afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen en wijst het beroep van de ouders af.