ECLI:NL:GHSHE:2020:285

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 januari 2020
Publicatiedatum
30 januari 2020
Zaaknummer
200.263.621/02
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 EET VoArt. 3 EET VoArt. 7 EET VoArt. 31 Insolventie-VoArt. 32 Insolventie-Vo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek waarmerking faillissementskosten als Europese executoriale titel

In deze civiele zaak heeft verzoeker bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch verzocht om waarmerking van een arrest als Europese executoriale titel (EET) op grond van de Uitvoeringswet EET. Het arrest betrof een beslissing over de toedeling van faillissementskosten aan de schuldenaar na vernietiging van het faillissement.

Het hof overwoog dat de Verordening (EG) 805/2004 betreffende de EET niet van toepassing is op faillissementsbeslissingen zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 onder Pro b van de verordening. De beslissing over faillissementskosten valt onder deze uitzondering. Daarom is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Voorts merkte het hof op dat zelfs indien het verzoek ontvankelijk zou zijn geweest, er twijfel zou bestaan over de kwalificatie van de vordering als een niet-betwiste schuldvordering, omdat de schuldenaar zich inhoudelijk had verzet tegen de toedeling van de kosten in hoger beroep. De procedure leidt niet tot een beslissing over proceskosten. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot waarmerking van het arrest als Europese executoriale titel.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2020
Zaaknummer : 200.263.621/02
Zaaknummer hoofdzaak : 200.263.621/01
in de zaak in van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. A.J. van der Knijff ,
tegen
[schuldenaar] ,
wonende te [woonplaats] , Duitsland
schuldenaar,
hierna te noemen: [schuldenaar] ,

1.Het geding in de hoofdzaak

Het hof verwijst naar het arrest van dit hof van 3 oktober 2019 als onder rolnummer 200.263.621/01 gewezen, waarbij het verzoek van [schuldenaar] tot faillietverklaring van [de vennootschap] in hoger beroep alsnog is afgewezen. Hierbij is tevens bepaald dat de faillissementskosten ter grootte van € 23.144,02 inclusief BTW, als gemaakt door [verzoeker] , ten laste komen van [schuldenaar] .

2.Het onderhavige verzoek

2.1.
Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 december 2019, heeft [verzoeker] op grond van artikel 2 Uitvoeringswet Pro Verordening Europese Executoriale titel (hierna UW EET) verzocht voormeld arrest te waarmerken als een Europese Executoriale Titel, nu [schuldenaar] niet vrijwillig het door haar verschuldigde heeft voldaan.
2.2.
[schuldenaar] is conform artikel 2 UW Pro EET niet opgeroepen of in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.
2.3.
De uitspraak is, mede vanwege de periode van feestdagen, vertraagd bepaald op heden.

3.De beoordeling

3.1.
Het hof overweegt het volgende.
Verordening (EG) 805/2004 van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet- betwiste schuldvorderingen (hierna EET Vo) bepaalt in artikel 2 haar Pro toepassingsgebied. Uit artikel 2 lid 2 onder Pro b EET Vo blijkt dat de EET Vo niet van toepassing is op “
het faillissement (…) en soortgelijke procedures”.
3.2.
De beslissing als ten grondslag gelegd aan het onderhavige verzoek is, nu deze ziet op het salaris van de curator en bijbehorende verschotten in verband met het faillissement als door het vernietigde vonnis uitgesproken per 23 juli 2019, uit de aard der zaak gegeven in het kader van een faillissementsprocedure als in artikel 2 lid 2 onder Pro b EET Vo bedoeld.
3.3.
[verzoeker] is dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Voor erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing binnen de Europese Unie (behoudens Denemarken) wijst het hof op de werking van artikel 32 van Pro de Herschikte Insolventieverordening (EU 2015/848)
3.4.
Ten overvloede zij nog opgemerkt dat als [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn geweest, dan kan worden betwijfeld of in deze wel sprake is van een ‘niet-betwiste schuldvordering” als bedoeld in artikel 3 EET Pro Vo. [schuldenaar] heeft immers zowel in eerste aanleg als in hoger beroep inhoudelijk nadere standpunten betrokken.
Voor zover in deze alsdan artikel 7 EET Pro Vo zou moeten worden bezien - aannemende dat onder ‘proceskosten’ in die bepaling ook de onderhavige kosten zouden vallen -, geldt dat [schuldenaar] zich blijkens onderdeel 10 van haar verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk heeft verzet tegen de uiteindelijk in de beslissing opgenomen toedeling en dus door haar dragen van de faillissementskosten. Het verzoek zou alsdan dus zijn afgewezen.
3.5.
De aard van de procedure brengt met zich dat geen beslissing over proceskosten wordt gegeven.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en A.P. Zweers-van Vollenhoven en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2020.