ECLI:NL:GHSHE:2020:2563

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 augustus 2020
Publicatiedatum
11 augustus 2020
Zaaknummer
200.242.324_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schorsingsverzoek na overlijden partij en procedurele voortgang in geschil over aanneming van werk

In deze civiele zaak betreffende een overeenkomst van aanneming van werk heeft het hof een incident behandeld waarin appellant verzocht om schorsing van de procedure na het overlijden van geïntimeerde. Het hof oordeelde dat de akte schorsing niet voldeed aan de vereisten van artikel 225 Rv Pro, omdat de personalia van belanghebbenden ontbraken, waardoor de schorsing niet geldig was.

Vervolgens heeft het hof de hoofdzaak inhoudelijk niet behandeld, maar de procedurele voortgang geregeld door de zaak naar de rol te verwijzen voor het opgeven van nieuwe verhinderdata, aangezien de geplande pleitzitting niet doorging. De beslissing over proceskosten werd aangehouden tot het eindarrest.

Het geschil zelf betreft een aannemingsovereenkomst waarbij onder meer de oplevering en het tijdig melden van gebreken centraal staan. Het hof heeft in dit arrest geen inhoudelijke uitspraak gedaan over de materiële geschilpunten, maar uitsluitend over het incident en de voortgang van de procedure.

Uitkomst: Het hof wijst het schorsingsverzoek af wegens onvolledige akte en verwijst de zaak naar de rol voor verdere procedurele afhandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.242.324/01
arrest van 11 augustus 2020
gewezen in het incident ex artikel 225 Rv Pro
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als: [appellant] ,
advocaat: mr. S. van Buuren te Westmaas,
tegen
[geïntimeerde] ,
tevens handelend onder de naam [Metsel- en Tegelbedrijf] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. G.J. de Hosson te Utrecht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 september 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/329407/HA ZA 17-261 gewezen vonnis van 4 april 2018.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 4 september 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
  • het proces-verbaal van comparitie van 8 januari 2019;
  • de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis met producties;
  • de memorie van antwoord;
  • het H10-formulier van [appellant] voor de rol van 11 juni 2019 waarbij hij pleidooi heeft gevraagd;
  • de akte schorsing rechtsgeding ex artikel 225 Rv Pro van [geïntimeerde] met één productie;
  • de antwoordakte schorsing rechtsgeding ex artikel 225 Rv Pro van [appellant] .
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident.

6.De beoordeling

In het incident
6.1.
De akte schorsing rechtsgeding ex artikel 225 Rv Pro strekt tot schorsing van de zaak op grond van artikel 225 Rv Pro in verband met het overlijden van [geïntimeerde] op 6 april 2020.
6.2.
[appellant] voert gemotiveerd verweer tegen het schorsingsverzoek.
6.3.
Na het overlijden van een partij kan de procedure op grond van het bepaalde in artikel 225 Rv Pro worden geschorst. Voor een geldige schorsing in geval van overlijden van een procespartij is vereist dat de aanzegging tot schorsing de personalia vermeldt van de belanghebbenden die tot schorsing overgaan, de schorsingsgrond, het rechtsfeit dat hen tot belanghebbende maakt en de aanzegging dat men schorst. Het hof constateert dat niet al deze gegevens in de akte verzoek schorsing zijn opgenomen. In het bijzonder ontbreken de personalia van de belanghebbenden die tot schorsing overgaan. Dat betekent dat de schorsing niet geldig is gedaan en het geding niet is geschorst wegens het overlijden van [geïntimeerde] .
6.4.
De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
6.5.
In de hoofdzaak heeft [appellant] op 11 juni 2019 pleidooi gevraagd, waarna het hof het pleidooi bepaald heeft op 29 mei 2020. Die zitting is niet doorgegaan. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor opgave van nieuwe verhinderdata door beide partijen.
6.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7.De uitspraak

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 25 augustus 2020 voor opgave verhinderdata over de periode oktober 2020 t/m maart 2021, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.J. Henzen en J.M.H. Schoenmakers
en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 augustus 2020.
griffier rolraadsheer