Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Oost-Brabant, waarin verdachte was veroordeeld voor bedreiging met zware mishandeling. De politierechter had een gevangenisstraf van vier weken opgelegd, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke straf van zeven dagen ten uitvoer gelegd.
In hoger beroep werd de straf en strafmotivering door het hof vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof achtte bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan bedreiging, waarbij gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer waren veroorzaakt. Gelet op eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke delicten en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn gezinssituatie en werkzoekende status, legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één week op met een proeftijd van twee jaar.
De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke straf werd bevestigd, ondanks het verzoek van de raadsman om omzetting naar een taakstraf. Het hof motiveerde dat dit niet passend was gezien de aard van het eerdere delict. Hiermee werd enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde benadrukt en anderzijds de strafoplegging gericht op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.