De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die zijn gezag over drie minderjarige kinderen beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemde. De kinderen, allen van Poolse nationaliteit, zijn sinds 2017 uit huis geplaatst en verblijven in een pleeggezin. De vader oefende eenhoofdig gezag uit, maar de rechtbank vond dat hij niet binnen een aanvaardbare termijn voor de kinderen kon zorgen.
In hoger beroep betoogde de vader dat hij inmiddels positieve stappen heeft gezet, een stabiele relatie heeft opgebouwd en de contacten met de kinderen wil verbeteren. De GI stelde echter dat de vader niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn voor de kinderen te zorgen, mede door zijn houding ten opzichte van hulpverlening en wisselende toekomstplannen. De omgang tussen vader en kinderen verloopt wisselend en de vader heeft afspraken op het laatste moment afgezegd.
Het hof bevestigde de gronden voor beëindiging van het gezag, waarbij het belang van stabiliteit voor de kinderen en het opvoedperspectief bij de pleegouders werd meegewogen. Het hof benadrukte dat de vader een belangrijke rol blijft vervullen voor de kinderen, onder meer vanwege hun gezamenlijke Poolse achtergrond, en dat omgang gewaarborgd moet blijven. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.