ECLI:NL:GHSHE:2020:2347

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 juli 2020
Publicatiedatum
23 juli 2020
Zaaknummer
200.276.957_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 810 RvJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging duur verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

Deze zaak betreft het hoger beroep van ouders tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kind. De rechtbank had de machtiging verlengd voor de duur van één jaar, wat de ouders betwistten vanwege hun wens tot een kortere verlenging.

De ouders gaven aan dat de situatie tussen hen is verbeterd en dat zij hopen dat de vader op termijn voor het kind kan zorgen. De gecertificeerde instelling (GI) stelde echter dat de situatie nog onvoldoende stabiel is en dat het perspectief voor het kind ligt bij de pleegouders. De pleegouders bevestigden dat het kind zich goed ontwikkelt in hun gezin.

Het hof overwoog dat de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is en dat er geen aanwijzingen zijn dat een kortere verlenging passend is. De GI zet niet in op een nieuw ingroeitraject bij de vader en de persoonlijke omstandigheden van de vader bieden onvoldoende zekerheid voor een verkorting. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van één jaar en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 23 juli 2020
Zaaknummer : 200.276.957/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/265799 / JE RK 19-2202
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna ook te noemen: de ouders,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Deze zaak gaat over
[minderjarige](hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de pleegouders],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 februari 2020 (verder te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 april 2020, hebben de ouders het hof aanvankelijk verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van één jaar en (naar het hof begrijpt) het verzoek van de GI tot verlenging van die machtiging alsnog af te wijzen.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders hun verzoek gewijzigd, in die zin dat zij verzoeken de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te bekrachtigen, uitgezonderd de beslissing over de duur van de verlenging, en de machtiging voor een kortere duur dan één jaar te verlengen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door mr. Leijser;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleegouders.
De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de relatie van de moeder en de vader is - voor zover in deze procedure van belang - op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
3.2.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
3.3.
[minderjarige] is voor zijn geboorte onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 februari 2021.
3.4.
[minderjarige] is op grond van een aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg sinds mei 2018 bij de pleegouders geplaatst.
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 7 februari 2020 heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 21 februari 2020 tot 21 februari 2021.
3.6.
De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen voor wat betreft de duur van de verlenging en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan.
Zij hebben de wens dat [minderjarige] over enige tijd bij de vader kan gaan wonen. Zij beseffen dat op dit moment een plaatsing van [minderjarige] bij de vader nog niet mogelijk is en dat zij daarvoor eerst stappen moeten zetten. De ouders hopen dat, na de stopzetting van het ingroeitraject bij de vader in 2019, de vader nog een nieuwe kans krijgt om toe te werken naar een situatie waarin hij voor [minderjarige] kan zorgen. De ouders zijn bereid de benodigde hulpverlening te (blijven) accepteren.
Sinds de mondelinge behandeling in eerste aanleg is er sprake van een verbetering van de situatie tussen de ouders. Er hebben zich geen escalaties tussen de ouders meer voorgedaan. Zij hebben nu afzonderlijke begeleiders van Amarant en die begeleiders zijn positief over hoe het tussen de ouders gaat. Om escalaties te voorkomen hebben de ouders de afspraak gemaakt dat wanneer tussen hen ergens problemen over ontstaan, zij de situatie even laten rusten en op een later moment over hun problemen gaan praten. Als dat niet lukt, vragen zij daarbij hulp.
Verder geldt dat de vader op dit moment inwoont bij de moeder, maar zelfstandig wil gaan wonen met begeleiding. Hij heeft zich aangemeld bij stichting MEE voor hulpverlening en begeleiding. De begeleide contactmomenten die de ouders met [minderjarige] hebben (de vader heeft met [minderjarige] eenmaal per veertien dagen gedurende anderhalf uur contact en de moeder eenmaal per drie weken gedurende een uur) verlopen goed. Met betrekking tot de vader is de begeleiding van de contactmomenten niet langer nodig. Dit zal op korte termijn worden besproken.
Op grond van het voorgaande stellen de ouders dat het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur dan een jaar moet worden toegewezen.
3.8.
De GI voert tijdens de mondelinge behandeling als verweer het volgende aan.
Er is geen sprake van een gewijzigde situatie ten opzichte van de bestreden beslissing. Het patroon van voortdurende conflicten en escalaties dat de GI in de relatie tussen de ouders ziet is een te groot risico voor [minderjarige] . De ouders hebben eerder tijdens de ingroeiperiode ook te kennen gegeven dat het goed tussen hen gaat, maar daarna hebben nieuwe incidenten met (verbale) agressie tussen de ouders plaatsgevonden. Het incident tussen de ouders in januari 2020 was nadat de vader de agressie regulatietherapie had afgerond. De begeleiding van de ouders is van mening dat het nu best goed gaat tussen de ouders, maar deelt de zorg over het patroon in hun relatie.
Wat betreft de begeleide contacten tussen [minderjarige] en de ouders geldt dat het contact tussen de vader en [minderjarige] natuurlijker gaat dan het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Dit is terug te zien in de reactie van [minderjarige] op de contactmomenten. Er wordt gekeken naar de mogelijkheid dat het contact van de vader met [minderjarige] in plaats van volledig deels begeleid gaat worden.
De GI heeft inmiddels het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin is. Daarbij is gekeken naar de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] en de bestaande risico’s bij de ouders. Voor [minderjarige] is het meest stabiel en passend dat hij in het pleeggezin zal opgroeien.
3.9.
De pleegouders voeren tijdens de mondelinge behandeling aan, dat het goed met [minderjarige] gaat. Hij ontwikkelt zich goed, is wijs en past zich goed aan. Hij kan in de toekomst bij hen blijven wonen. Over het verschil in reactie van [minderjarige] op zijn contactmomenten met de vader en de moeder, brengen de pleegouders naar voren dat [minderjarige] in het verleden na de bezoeken van de moeder overstuur wakker werd. Nu de moeder tijdens haar contact met [minderjarige] wat rustiger is, gaat het na dat contact beter met [minderjarige] , maar de pleegouders merken nog steeds dat [minderjarige] daags na dat contact wat anders is. Dit speelt niet na het contact met de vader.
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
3.10.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.10.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.10.3.
Niet in geschil is dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Het hoger beroep van de ouders richt zich enkel tegen de beslissing van de rechtbank om de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar te verlengen.
3.10.4.
Het hof ziet geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen. Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de GI inmiddels het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders heeft bepaald en dat de GI niet inzet op een nieuw (ingroei)traject bij de vader om de mogelijkheid tot plaatsing van [minderjarige] bij hem een kans te geven. De ouders hebben meerdere procedures gevoerd om hervatting van het ingroeitraject te bewerkstelligen, maar dit verzoek is steeds afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat met het oog op de belangen van [minderjarige] te verwachten is dat alsnog met een ander ingroeitraject bij de vader zal worden gestart.
Ook in de persoonlijke omstandigheden van de vader ziet het hof geen aanknopingspunten om de duur te verkorten. De vader wenst zelfstandig te gaan wonen met begeleiding, maar zijn toekomstige situatie is op dat vlak nog geheel onduidelijk. Hij heeft (vooralsnog) geen zicht op een andere woning en woont in bij de moeder. De ouders stellen weliswaar dat afgelopen maanden geen sprake meer is van escalaties tussen hen, hetgeen het hof positief acht, maar vanuit de hulpverlening blijven wel zorgen bestaan over het patroon in de relatie tussen de ouders. Daarnaast bestaat er onvoldoende zicht op of de vader zelfstandig dan wel onder begeleiding langdurig invulling kan geven aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
3.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking van 7 februari 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 februari 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is op 23 juli 2020 door mr. H. van Winkel uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.