Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door mr. Vaessen;
- de vader, bijgestaan door mr. Poelman.
3.De beoordeling
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De moeder verzocht in hoger beroep om toestemming om met haar twee minderjarige kinderen te verhuizen naar een andere plaats om daar samen te wonen met haar nieuwe partner. De rechtbank had dit verzoek eerder afgewezen. De moeder stelde dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege het werk en woonplaats van haar partner en dat de kinderen de overstap goed aankunnen.
De vader verzette zich tegen de verhuizing, stellende dat de huidige zorgregeling waarbij hij een substantieel aandeel in de zorg en opvoeding heeft, door de verhuizing zou worden ondermijnd en hij een weekendvader zou worden. Het hof overwoog dat het belang van de moeder om te verhuizen niet zwaarder weegt dan het belang van de kinderen en de vader bij het behoud van de huidige zorgregeling en woon- en schoolsituatie.
Het hof nam mee dat de moeder onvoldoende had onderbouwd dat haar partner niet dichter bij de huidige woonplaats kon wonen of ander werk kon vinden. Ook achtte het hof de continuïteit van de zorg en het sociale leven van de kinderen in de huidige woonplaats belangrijk, evenals de leerstoornis van een van de kinderen en de aangepaste schoolbegeleiding. De verhuizing zou leiden tot minder contact tussen vader en kinderen en verslechterde communicatie tussen ouders.
Daarom bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank dat de verhuizing niet werd toegestaan. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader werd niet ontvankelijk verklaard omdat de voorwaarde voor dit beroep niet was vervuld.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot verhuizing met de kinderen af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.