De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die haar verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen had afgewezen. De ouders zijn in 2007 gehuwd en inmiddels gescheiden. De kinderen verblijven bij de moeder, terwijl de vader sinds augustus/september 2018 geen contact meer heeft met de kinderen en ook niet reageert op pogingen tot communicatie.
De moeder stelt dat het gezamenlijk gezag niet langer haalbaar is en dat het in het belang van de kinderen is dat zij het gezag alleen krijgt toegewezen. Zij ondervindt problemen bij het nemen van beslissingen omdat de vader niet bereikbaar is en niet meewerkt, wat onrust en onzekerheid veroorzaakt bij de kinderen.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het verzoek van de moeder te honoreren, omdat het in het belang van de kinderen is dat zij verder kunnen met hun leven en dat hulpverlening en schoolaanmelding snel kunnen plaatsvinden.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:251a lid 1 BW het gezag aan één ouder kan worden toegewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem raakt tussen de ouders of wijziging anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Gezien het langdurige gebrek aan contact en betrokkenheid van de vader en de onmogelijkheid voor de moeder om gezamenlijk beslissingen te nemen, oordeelt het hof dat wijziging van het gezag noodzakelijk is.
Het hof vernietigt de beschikking van 8 mei 2019 voor zover deze het verzoek van de moeder tot alleengezag afwees en wijst het verzoek alsnog toe. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.