Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
's-Hertogenbosch, gewezen tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/315777 / HA ZA 16-789)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met productie;
- de akte van de zijde van de man van 3 maart 2020 met producties;
- de antwoordakte van de vrouw van 31 maart 2020.
3.De beoordeling
15 februari 2017heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 27 juni 2017. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.
27 september 2017heeft de rechtbank overwogen voornemens te zijn een deskundigenbericht te gelasten. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
14 februari 2018is het aangekondigde deskundigenbericht gelast.
11 april 2018de heer P.M. van Spaendonck tot deskundige benoemd.
22 mei 2019geen aanleiding gezien om voorbij te gaan aan het deskundigenbericht. Het deskundigenbericht is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en goed onderbouwd. Bij de beoordeling van de vorderingen is de rechtbank daarom niet uitgegaan van de op basis van de jaarstukken vastgestelde waarde van de onderneming en de gemaakte winsten, maar van de, op basis van benchmarkgegevens, door de deskundige, bepaalde (indicatieve) bedragen.
- € 57.266,50 vanwege overbedeling aan zijn zijde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2019;
- € 34.225,60 (na verrekening van de € 8.000,--) vanwege haar aandeel in de winst van onderneming over de periode van 15 juli 2014 tot 15 mei 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals is bepaald in rov. 3.6 van het bestreden vonnis.
manis tijdig in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en – opnieuw rechtdoende – bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen.
- het ontbreken van belangrijke stukken in de administratie van de onderneming (grief 1);
- het uitbrengen van een nader deskundigenbericht (grief 2);
- de juistheid van het uitgebrachte deskundigenbericht (grieven 3 en 4);
- het aandeel van de vrouw in de winst (grief 5);
- de kosten van het deskundigenbericht (grief 6).
vrouwheeft de grieven weersproken. Zij heeft geconcludeerd om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep althans dat hoger beroep ongegrond te verklaren met afwijzing van de grieven en bekrachtiging van het bestreden vonnis van 22 mei 2019, met veroordeling van de man in de kosten in eerste aanleg en hoger beroep.
rechtbankheeft in rov. 2.12 van het eindvonnis het volgende overwogen:
manricht zich tegen dit oordeel. Op grond van de gedingstukken staat volgens hem vast dat belangrijke stukken van de administratie van de onderneming ontbreken. Dit betekent dat uit de wel in het bezit van de deskundige zijnde stukken redelijkerwijs geen conclusies kunnen worden getrokken over de omzet en winst van de onderneming. Ter onderbouwing van zijn grief, voert de man het volgende aan.
vrouwstelt dat zij niet op onrechtmatige wijze de boekhouding heeft weggenomen, maar de nodige financiële gegevens van de onderneming heeft veilig gesteld. Deze stukken zijn bij de rechtbank gedeponeerd en vervolgens aan de deskundige ter hand gesteld. Het stond de deskundige vrij om bij zijn onderzoek gebruik te maken van stukken die (alsnog) door (een van) partijen zijn aangeleverd. Door de man zijn aan de deskundige geen nadere stukken ter hand gesteld. De man is door de deskundige steeds in de gelegenheid gesteld om op de door de vrouw aan de deskundige ter beschikking gestelde gegevens te reageren, maar hij heeft dat nagelaten. Ook is de man in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de door de vrouw aan de deskundige overhandigde stukken. De man heeft daar geen gebruik van gemaakt. Hij heeft evenmin gereageerd op het concept-deskundigenbericht. Verder heeft de man niet een eigen deskundigenbericht laten opstellen.
hofoverweegt hiertoe als volgt.
U duidt in het deskundigenbericht kort de stukken aan die partijen u hebben toegezonden in aanvulling op de processtukken(onderstreping hof). In het model deskundigenbericht is daarvoor een plaats ingeruimd (zie over het model nr. 119).”
- aangiften inkomstenbelasting 2013 en 2017;
- aanslagen 2013, 2015, 2016 en 2017;
- akte van 13 maart 2018;
- balansen 2015 en 2016;
- jaarrekeningen van de onderneming over de jaren 2013 en 2017;
- pachtovereenkomst van 13 december 2017;
- resultaatrekeningen en balansen over de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017;
- uittreksel handelsregister van 19 maart 2018;
- vonnis 11 april 2018.
rechtbankoverwoog in rov. 2.8 van het bestreden vonnis:
manluidt aldus: “Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis (r.o. 2.8) overwogen dat naar aanleiding van de opmerkingen van de man een nader deskundigenbericht nodig zou zijn en dat rechtbank dit in strijd met de goede procesorde acht”. Ter toelichting op deze grief brengt hij het volgende naar voren.
vrouwis het belang van de man bij de grief niet duidelijk, nu hij zelf klaarblijkelijk ook geen nader deskundigenbericht wenst en hij stelt dat de rechtbank zich had moeten baseren op de eerder opgestelde jaarcijfers.
hofbegrijpt de grief van de man aldus dat de rechtbank niet had mogen uitgaan van – zoals de man betoogt – de door de deskundige gemaakte ongegronde dan wel onbegrijpelijke schattingen van de winst en de waarde van de onderneming op basis van een steekproef. Die grief treft geen doel. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
een indicatieve becijfering welke de basis kan vormen voor een schatting van de waarde(onderstreping hof).”
rechtbank:
grief 3dat de deskundige:
winstuit onderneming in de periode 15 juli 2014 tot 1 oktober 2018 volgens de jaarrekeningen € 62.652,-- bedraagt, waarbij deze rekening houdend met een redelijke beloning voor de man zelfs negatief is. Anderzijds wordt volledig voorbij gegaan aan deze cijfers en wordt op basis van de door de vrouw aangeleverde incomplete gegevens over een beperkte periode op basis van een schatting de winst vastgesteld op € 72.739,--, waarbij al rekening is gehouden met een redelijke beloning voor de man (mvg randnummer 84).
waardeheeft en dat die waarde op grond van de beschikbare jaarcijfers negatief is. Anderzijds gaat de deskundige volledig voorbij aan deze gegevens en zijn waarderingsmethode en baseert hij zijn conclusie op incomplete gegevens, over een beperkte periode en een schatting van de indicatieve waarde (mvg randnummer 86).
vrouwheeft
grief 3weersproken. De man gaat er ten onrechte van uit dat de door hem opgestelde jaarstukken juist zijn. De deskundige heeft toegelicht waarom aannemelijk is dat die jaarcijfers ongeschikt zijn als basis voor een waardering en dat daarom een indicatieve becijfering van de waarde is opgesteld waarbij is uitgegaan van benchmarkgegevens.
grief 4is door haar weersproken. Zij stelt dat de man in zijn grief nalaat aan te geven op welke bezwaren hij concreet doelt. Voor zover hij naar voren wil brengen dat de periode waarop de door de vrouw ingebrachte bescheiden betrekking hebben te beperkt zijn en de deskundige zich had dienen te baseren op eerdere jaarstukken, is dat een herhaling van zetten en niet in overeenstemming met de conclusies van de deskundige, die deze conclusies ook duidelijk motiveert.
hofoverweegt dat de grieven 3 en 4 zich lenen voor een gezamenlijke beoordeling. In de kern genomen komen de grieven erop neer dat i) de deskundige zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, ii) hij het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, iii) de man inhoudelijke bezwaren heeft tegen het deskundigenrapport en iv) de rechtbank ten onrechte niet over die inhoudelijke bezwaren heeft geoordeeld.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft in rov. 2.8. geconstateerd dat de man slechts summier heeft gereageerd op het verslag van de deskundige van de bijeenkomst op 7 juni 2017 (waarbij de man zelf niet aanwezig was), de door de deskundige aan hem gestelde vragen niet heeft beantwoord, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de ordners in te zien of op te halen en heeft nagelaten te reageren op het concept-deskundigenbericht dan wel uitstel hiervoor (vanwege zijn verblijf in Egypte) te verzoeken. De rechtbank oordeelt vervolgens:
hofoverweegt als volgt.
manbetoogt dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld om aan de vrouw € 34.225,60 te betalen vanwege haar aandeel in de winst van de onderneming over de periode van 15 juli 2014 tot 15 mei 2019. Ter toelichting op zijn grief voert hij het volgende aan.
vrouwheeft de grief weersproken. Zij stelt dat het bedrag van € 34.225,60 tot stand is gekomen door op het bedrag van € 42.225,50 (dat in overeenstemming is met de becijfering van de winst in het deskundigenrapport) een bedrag van € 8.000,-- in mindering te brengen. Dit is toegelicht in het vonnis.
hofoverweegt dat de grief van de man – voor zover deze is gebaseerd op de berekening van de winst op basis van de jaarrekeningen – gelet op het oordeel van het hof over de grieven 3 en 4 – geen doel treffen. Uit moet worden gegaan, dus anders dan de man betoogt, van de door de deskundige berekende en vervolgens door de rechtbank op basis van het deskundigenbericht vastgestelde (jaarlijkse gemiddelde) winst. Het gaat aldus om een gemiddelde winst van € 17.263,-- per jaar (in totaal € 59.701,20).
manbetoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat beide partijen ieder de helft van de kosten van de deskundige dienen te voldoen. De rechtbank wist dat beide partijen met een toevoeging procedeerden en heeft desondanks toch een deskundigenbericht bevolen. Bovendien was op basis van de gedingstukken duidelijk dat de door de vrouw gestelde winst en waarde van de onderneming ongegrond zijn. De rechtbank had de zaak zonder deskundigenbericht moeten afdoen en de vorderingen van de vrouw als ongegrond althans onvoldoende onderbouwd af te wijzen. De man kan de (helft van de) kosten van de deskundige niet betalen.
vrouwstelt dat het deskundigenonderzoek noodzakelijk was. De omstandigheid dat de man hier anders over denkt, betekent niet dat de kosten van de deskundige volledig voor rekening van de vrouw dienen te komen.
hofoverweegt dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de rechter behoort om een deskundigenbericht te gelasten. De kosten hiervan dienen door partijen te worden gedragen (hun zaak geeft immers aanleiding voor het gelasten van een deskundigenbericht) en maken onderdeel uit van de proceskosten.