Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/341115/HA ZA 18-90)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- de nadere akte van [appellant] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
3.De beoordeling
[geïntimeerde] heeft in haar brief van 22 maart 2012 aan de notaris en haar brief van 27 maart 2012 aan [appellant] geschreven dat zij recht heeft op haar legitieme portie ‘
wat van mijn vader is blijven staan bij moeder’ en dat rekening en verantwoording moet worden afgelegd.
[appellant] heeft erkend dat [geïntimeerde] in deze brieven de nodige claims op de nalatenschap vermeldde. Volgens hem leidde mede de opmerking van [geïntimeerde] in haar brief aan de notaris dat ‘
anders kan er beslag worden gelegd’ertoe dat hij zo spoedig mogelijk duidelijkheid wilde ten aanzien van het beroep van [geïntimeerde] op haar legitieme portie. [appellant] heeft daarom in zijn brief van 3 april 2012 aan [geïntimeerde] de termijn van 30 dagen gesteld om kenbaar te maken of zij een beroep wilde doen op haar legitieme portie ‘
in de nalatenschap van moeder’ en haar ook een kopie van het testament toegezonden, aldus [appellant] .
“1. Recht op mijn legitieme portie wat van mijn vader is blijven staan bij moeder”)niet kon plaatsen, omdat er geen legitieme portie van vader bij moeder was blijven staan. [geïntimeerde] heeft immers op 30 maart 2007 een overeenkomst getekend, waaruit volgt dat erflaatster afstand heeft gedaan van haar vruchtgebruik en de kinderen hun kindsdeel uit de nalatenschap van vader toen reeds volledig toegekomen is. [appellant] stelt dat hij die betaling in twee etappes heeft gedaan op 11 april 2007.
Wij hebben echter nog te goed van U” en in de tweede brief:
“Nalatenschap vader en moeder. Aangaande over lijden moeder zijn er wel nog zaken te regelen ondanks dat je denkt alles zelf te wil hebben zijn er de volgende problemen welke toch opgelost dien te worden.”. Het gaat hier verder om brieven die een zus schrijft aan haar broer (en de notaris), waarbij niet in geschil is dat de nalatenschap van vader geheel is afgewikkeld. Dat is ook wat [appellant] aan zijn zus laat weten bij e-mail van 28 maart 2012, waarna hij in diezelfde mail schrijft dat [geïntimeerde] de notaris heeft aangeschreven om een opdracht uit te voeren, maar dat zij zich tot [appellant] moet wenden om het wettelijk legitiem erfdeel van moeders nalatenschap op te eisen. Vervolgens nodigt [appellant] zijn broer [de broer] en zus per e-mail van 3 april 2012 uit om hem schriftelijk te berichten of zij een beroep doen op de legitieme portie. Daarna antwoordt [geïntimeerde] op 18 april 2012 op deze termijnstelling: “
Voorts heb ik me al gemeld bij de notaris (…)”.