Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2020:1889

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 juni 2020
Publicatiedatum
22 juni 2020
Zaaknummer
200.262.303_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 3 BWArt. 810 RvArt. 16 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling en rol van moeder en gecertificeerde instelling bij contact kinderen en vader

Deze zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen een vader en zijn drie minderjarige kinderen, waarbij de moeder het gezag heeft en de kinderen bij haar wonen. De kinderen staan sinds 2017 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging. De vader verzocht om een omgangsregeling, maar de rechtbank wees dit af vanwege het ontbreken van rust en het negatieve contactbeeld.

In hoger beroep stelt de vader dat hij stabiel is en een minimale omgang wil starten, terwijl de moeder en kinderen geen contact wensen. De moeder benadrukt dat de kinderen veilig zijn en de vader onvoldoende heeft aangetoond dat hij tot omgang in staat is. De raad en GI adviseren stapsgewijze begeleiding en inzet van professionele hulpverlening.

Het hof stelt vast dat de moeder haar wettelijke plicht om de band tussen vader en kinderen te bevorderen niet nakomt en dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging door het hardnekkig negatieve vaderbeeld. Het hof bepaalt dat de GI binnen twee maanden een concreet plan van aanpak moet opstellen om de omgang gefaseerd mogelijk te maken, waarbij de moeder en vader worden betrokken. Indien de moeder niet meewerkt, kan de GI ingrijpen, bijvoorbeeld via een tijdelijke uithuisplaatsing.

De verdere beslissing wordt aangehouden tot 20 augustus 2020 in afwachting van het plan van de GI. Het hof benadrukt het belang van het doorbreken van de impasse en het bevorderen van een gezonde relatie tussen vader en kinderen.

Uitkomst: Het hof beveelt de gecertificeerde instelling binnen twee maanden een plan van aanpak te maken om de omgang tussen vader en kinderen gefaseerd mogelijk te maken en houdt verdere beslissing aan tot 20 augustus 2020.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 18 juni 2020
Zaaknummer: 200.262.303/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/259347/FA RK 19-148
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.G.P. Voragen,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P.F. Rober.
Deze zaak gaat over:
  • [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007;
  • [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009;
  • [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
regio Zuid Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuid-Oost Nederland,
vestiging: [vestigingsplaats]
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 15 april 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 juli 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken als gedaan in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, althans een omgangsregeling in goede justitie te bepalen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2019, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen als ongegrond en onbewezen, dan wel in het belang van de minderjarige kinderen een dusdanige regeling vast te stellen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 april 2019;
  • de brief van de GI d.d. 9 augustus 2019, ingekomen op 13 augustus 2019;
  • het V8 formulier d.d. 18 februari 2020 van de advocaat van de moeder met bijlagen inzake het kindgesprek, waarvoor de kinderen eerder, in april 2020, waren opgeroepen;
  • het V6 formulier d.d. 3 juni 2020 van de advocaat van de vader met bijlagen, waaronder de pleitnotitie van de advocaat van de vader.
2.4.
De meervoudige kamer van het hof heeft de zaak op grond van artikel 16, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de enkelvoudige kamer. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020 via Skype for Business. Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .
2.4.1.
Het hof heeft de voornoemde minderjarigen in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt door het hof ieder afzonderlijk een brief te sturen, gedateerd 30 april 2020. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brieven zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de reeds geruime tijd geleden beëindigde relatie tussen de moeder en de vader zijn geboren:
  • [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007 (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
  • [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009 (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
  • [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).
3.2.
De moeder is belast met het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder. De vader heeft de kinderen erkend.
3.3.
De kinderen staan sinds 1 augustus 2017 onder toezicht van de GI, welke maatregel steeds werd verlengd en nog altijd voortduurt.
3.4.
De rechtbank heeft in het verleden, bij beschikking van 17 augustus 2017, een eerder verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen afgewezen. De overweging van de rechtbank luidde toen:
In de zeer recent (op 1 augustus 2017) uitgesproken ondertoezichtstelling van de kinderen is, mede gelet op het verzet van de moeder tegen die ondertoezichtstelling, niet alleen veel werk voor de gezinsvoogd aan de winkel om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen te verzachten of te verminderen maar is ook te verwachten dat daarmee geruime tijd gemoeid zal zijn. Dat leidt er toe dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de gezinsvoogd er binnen afzienbare tijd aan toe zal komen om de moeder èn de kinderen in een positie te brengen dat de kinderen klaar zijn om een reguliere omgang met hun vader te beproeven. Bij die stand van zaken dient het verzoek van de vader te worden afgewezen.
3.5.
Bij de bestreden beschikking van 15 april 2019 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een omgangsregeling te treffen opnieuw afgewezen. Overwogen wordt dat de kinderen een turbulente periode hebben door gemaakt. De kinderen hebben al vijf jaar geen contact meer met de vader, op een sporadische ontmoeting na. Zij geven aan niet open te staan voor contact. De vader heeft nauwelijks onderbouwd dat hij in staat is tot een adequate omgang met zijn kinderen; hij stelt te zijn veranderd en wil een minimale omgang om mee te starten. Op geen enkele wijze lijkt de vader daarbij stil te staan bij het belang van de kinderen, aldus de rechtbank. Ter voorbereiding kan de vader af en toe een kaartje sturen naar de GI die dan zo de kinderen kan voorbereiden op een contactherstel, zo nodig onder professionele begeleiding van de hulpverlening. Het is aan de GI om in te schatten wanneer de kinderen hiervoor klaar zijn.
3.6.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.1.
De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.
De vader heeft gehoor gegeven aan de oproep van de rechtbank om een brief te schrijven aan de kinderen. Daar reageerden zij aanvankelijk positief op. De vader begrijpt niet waarom [minderjarige 1] boos en teleurgesteld is. Het incident dat wordt aangehaald wordt onjuist beschreven. De herinnering die er aan wordt toegedicht kan niet van de minderjarige zelf zijn, gelet op haar leeftijd toen het zou hebben plaats gevonden. Rust in de thuissituatie van de moeder is er niet. Als die rust als voorwaarde voor omgang steeds maar overeind blijft zal er nooit omgang tussen de vader en de kinderen komen. De vader heeft het belang van de kinderen voor ogen en het raakt hem enorm dat hij verstoken is van enig contact met hen. De vader accepteert dat de kinderen bij de moeder wonen; hij acht het voor de kinderen ook van belang dat hij een positie in hun leven krijgt. Zijn situatie is stabiel. Hij heeft een eigen woonruimte, zijn leven is op orde.
3.7.
De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.
De kinderen willen geen contact met de vader. De moeder stelt zich in dit opzicht op achter de kinderen. De vader heeft nog altijd niet aangetoond dat hij in staat is tot omgang. Bij de moeder is de situatie zo dat de kinderen daar veilig verblijven: er is geen sprake van een
uithuisplaatsing. De moeder wijst er voorts op dat de vader zijn eigen ruiten heeft ingegooid bij de kinderen door onaangekondigd met zijn zus aan de deur te verschijnen. Dat heeft geen
goed gedaan. Wat er aan opening was heeft de vader zelf teniet gedaan. Als er naar contact
wordt toegewerkt dient de eerste stap te zijn dat de vader aan de GI laat zien dat hij in staat is tot omgang. Pas daarna kan worden overgegaan tot inzet van een hulpverleningsinstantie.
3.8.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd.
De kinderen hebben een negatief beeld over hun vader, ingegeven door angst. Alles rondom hem lijkt ingegeven te zijn door angst. Dat is kwalijk voor een gezonde ontwikkeling. Stapsgewijs dienen de kinderen begeleid te worden in het toewerken naar een ander beeld en naar het kennis maken met de vader. De GI dient daarin het voortouw te nemen, deels zelf, deels door inschakeling van hulpverlening. Wellicht kan ook het netwerk van de vader een rol vervullen bij de eerste keren dat er contact is.
3.9.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het navolgende geadviseerd.
Er dient een tijdspad te komen: hoeveel ruimte en tijd hebben de kinderen nodig, dat dient te worden uitgezocht. Aansluitend dient te worden ingezet op een laagdrempelige kennismaking met de vader. De GI geeft de voorkeur aan inschakeling van professionele hulpverlening, boven inzet of gebruikmaking van netwerk aan de zijde van de vader. Gedacht wordt aan Axnaga.
4. Het hof overweegt als volgt.
4.1.
Het is het hof niet ontgaan dat de moeder haar standpunt dat de kinderen geen contact met de vader willen met nadruk naar voren brengt, dat zij daar achter staat, en ook vanuit haar eigen visie op de vader uiterst negatief over hem spreekt. Er is bij de moeder geen enkele ruimte om, juist ook bij haar zelf, enige verandering ten opzichte van het onderwerp: de plaats van de vader in het leven van de kinderen, te creëren. Het hof heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat het - vanuit het gezag dat zij alleen over de kinderen draagt - haar plicht is de ontwikkeling van de banden van haar kinderen met de vader te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek). Het hof stelt vast dat de moeder tenminste al vanaf 2017 geen invulling geeft aan deze verplichting. Gedurende de eerste jaren van de ondertoezichtstelling mocht zij zich allereerst richten op herstel van de situatie in haar eigen gezin. De moeder is nu drie jaren verder en er is nog geen zicht op een veranderende opstelling van de moeder ten opzichte van dit onderwerp.
4.2.
Het hof is in deze kwestie van oordeel dat (ook) sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Zij hebben een uiterst negatief vaderbeeld. Door de lange tijd die inmiddels verstrijkt en waarin dat negatieve beeld steeds hardnekkiger lijkt te worden, terwijl er geen objectieve aanknopingspunten zijn die de beeldvorming begrijpelijk of verontschuldigbaar maken, wordt het keren van deze ernstige ontwikkelingsbedreiging ook in toenemende mate complex. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet eerst aan de vader is om stappen te zetten. Het is allereerst de moeder die een opening dient te bieden aan de GI en de vader om al dan niet gefaseerd en, al dan niet met hulpverlening, de weg naar positiebepaling van de vader in het leven van de kinderen op te gaan. Indien de moeder dat niet kan, of daartoe niet bereid is zal de GI dienen in te grijpen, desnoods middels een tijdelijke uithuisplaatsing, al of niet gecombineerd met een gezinsopname, teneinde de al jaren bestaande impasse te doorbreken.
4.3.
Het hof verwacht van de GI binnen twee maanden na afgifte van deze beschikking een concreet plan van aanpak, waarin de diverse stappen die gezet zullen worden zullen zijn beschreven. Uit dat plan dient duidelijk te worden of het de moeder zal lukken bij de
ingezette weg aan te sluiten en die te ondersteunen. Tevens dient dat ten aanzien van de
vader te worden beschreven. De ouders en de raad zullen in de gelegenheid gesteld worden hun visie op het plan van de GI kenbaar te maken binnen vier weken nadat de GI het plan van aanpak bij het hof zal hebben ingediend, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van ouders en de raad.
4.4.
Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden tot 20 augustus 2020 in afwachting van berichtgeving van de GI.

5.De beslissing

Het hof:
verzoekt de GI tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen en de raad;
houdt iedere verdere beslissing aan tot
PRO FORMA 20 augustus 2020.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.R.M. van Leuven, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.