ECLI:NL:GHSHE:2020:15

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 januari 2020
Publicatiedatum
7 januari 2020
Zaaknummer
200.256.077_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over volledige loonbetaling inclusief 5% omzetcommissie

Appellante, handelend onder de naam Zeeuwse Storm, verrichtte werkzaamheden voor de vennootschap die internationale beurzen en congressen organiseert. Volgens de schriftelijke overeenkomst had zij recht op een vergoeding van gewerkte uren plus een commissie van 5% over de bruto-omzet van het evenement. Appellante stuurde een factuur van € 9.231,15 voor deze commissie, die door de vennootschap niet werd voldaan.

In eerste aanleg werd de vennootschap veroordeeld tot betaling van slechts € 1.500,00 plus buitengerechtelijke kosten, waarna appellante hoger beroep instelde. Het hof oordeelde dat de vennootschap niets had aangevoerd dat rechtvaardigt dat de commissie lager zou zijn dan 5% van de omzet, noch dat een vergoeding voor meeruren in de plaats zou komen van de commissie. De vennootschap had onvoldoende concrete feiten aangevoerd om te stellen dat appellante haar opdracht niet correct had uitgevoerd.

Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de vennootschap tot betaling van de volledige factuur van € 9.231,15 en buitengerechtelijke kosten van € 836,56, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd de vennootschap veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vennootschap wordt veroordeeld tot betaling van de volledige factuur van € 9.231,15 plus buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht
zaaknummer 200.256.077/01
arrest van 7 januari 2020
in de zaak van
[appellante], handelend onder de naam Zeeuwse Storm,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. S.B.A. Lhachmi te Terneuzen,
tegen
[de vennootschap],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 5 maart 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 december 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellante (hierna [appellante] ) als eiseres en geïntimeerde (hierna [de vennootschap] ) als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6892823 CV EXPL 18-1525)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 18 juli 2018.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.
[de vennootschap] houdt zich bezig met het organiseren van internationale beurzen en congressen.
[appellante] heeft werkzaamheden verricht in opdracht van [de vennootschap] .
Partijen zijn overeengekomen dat [appellante] recht heeft op een vergoeding van gewerkte uren (artikel 2 van Pro de schriftelijk vastgelegde overeenkomst), plus een vergoeding als volgt (artikel 4 van Pro die overeenkomst):
“Als vergoeding voor het aanbrengen van exposanten en/of congressisten ontvangt opdrachtnemer 5% commissie over de bruto-omzet van het evenement, alsook een vergoeding – gebaseerd op het overeengekomen uurtarief – voor de eventuele meeruren bovenop de uren zoals vermeld in art. 2.”
[appellante] maakt aanspraak op de commissie van 5% en heeft daartoe een factuur gestuurd van 23 mei 2017 voor € 9.231,15. [de vennootschap] heeft deze factuur niet voldaan.
3.2.
[appellante] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd dat de kantonrechter [de vennootschap] veroordeelt € 9.231,15 (factuur) en € 836,56 (buitengerechtelijke kosten) te betalen, te vermeerderen met rente en kosten.
3.3.
De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis [de vennootschap] veroordeeld € 1.500,00 (factuur) en € 272,25 (buitengerechtelijke kosten) aan [appellante] te betalen, [de vennootschap] in de proceskosten veroordeeld en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.4.
[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging en tot algehele toewijzing van haar vorderingen.
[de vennootschap] is niet verschenen.
3.5.
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.6.
De strekking van de grieven is dat [appellante] recht heeft op het gehele overeengekomen loon, dat dit niet afwijkt van de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst en dat dit in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. [appellante] stelt ter toelichting dat zij haar uurtarief van € 55,00 heeft verlaagd tot € 45,00 en dat deze verlaging zou worden gecompenseerd met het recht op 5% van de omzet (grieven, 16).
3.7.
Het hof is van oordeel dat [appellante] het gelijk aan haar zijde heeft. [de vennootschap] heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben bedoeld minder dan 5% van de omzet aan [appellante] toe te kennen ingeval van tegenvallende resultaten van het congres. [de vennootschap] heeft ook niets aangevoerd waaruit volgt dat (zij bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat) een vergoeding van meeruren op uurbasis in de plaats zou treden van de vergoeding van 5% van de omzet (antwoord eerste aanleg, 10, blz. 2, en blz. 3 halverwege). De overgelegde tekst van de overeenkomst, waarvan de inhoud onweersproken is, wijst bepaald niet in die richting. Uit die tekst (vermeld onder 3.1 c van deze uitspraak) heeft [appellante] redelijkerwijs mogen afleiden dat zij recht zou hebben op een vergoeding van meeruren op uurbasis plus 5% van de omzet. [de vennootschap] heeft geen concrete feiten naar voren gebracht die het oordeel rechtvaardigen dat de aanspraak van [appellante] op volledige betaling van het overeengekomen loon in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De omstandigheid dat het congres geen succes is geworden of minder heeft opgeleverd dan verwacht of gehoopt, is op zichzelf, zonder nadere toelichting, onvoldoende voor een dergelijk oordeel. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat [appellante] , in samenwerking met [de vennootschap] en met gebruikmaking van contacten van [de vennootschap] , slechts enkele bedrijven heeft bezocht of slechts enkele congressisten heeft geworven.
3.8.
Het voorgaande betekent dat de grieven slagen. Het hof beoordeelt daarom de verweren van [de vennootschap] in eerste aanleg. Deze verweren komen er in de kern op neer dat [appellante] te weinig heeft gedaan, haar opdracht heeft teruggegeven en haar opdracht niet heeft uitgevoerd.
3.9.
Het hof is van oordeel dat deze verweren falen. [de vennootschap] heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat het loon van 5% van de omzet is gekoppeld aan de werkwijze of de uitkomsten van de werkzaamheden (anders dan de omzet). [de vennootschap] heeft niet (voldoende duidelijk) aangevoerd dat [appellante] haar opdracht niet naar behoren heeft uitgevoerd: [de vennootschap] heeft niet aan de hand van concrete feiten uitgelegd wat [appellante] verkeerd zou hebben gedaan. De opmerking van [de vennootschap] dat [appellante] “de opdracht tot het werven van deelnemers naar eigen zeggen technisch niet kon nakomen en [de vennootschap] medegedeeld daaraan niet meer te kunnen meewerken” (antwoord eerste aanleg, 3, blz. 2, en blz. 3 halverwege) is niet voldoende duidelijk en is niet onderbouwd aan de hand van concrete feiten. Dit geldt ook voor haar opmerking dat [appellante] de opdracht zou hebben “teruggegeven” (antwoord eerste aanleg, 4, blz. 2, en blz. 3 halverwege). [de vennootschap] merkt ook op dat “het bezoeken van een drietal ondernemingen” een vergoeding van 5% van de omzet niet rechtvaardigt (antwoord eerste aanleg, 5, blz. 2), maar ook dit is niet voldoende duidelijk en concreet. [de vennootschap] heeft niet (voldoende duidelijk) de overeenkomst ontbonden. [de vennootschap] heeft de hoogte van de gestelde omzet betwist (antwoord eerste aanleg, blz. 3 onderaan), maar zij heeft geen gegevens aangereikt over de omzet die volgens haar juist zou zijn.
3.10.
De beoordeling leidt tot de volgende conclusies. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het door [appellante] gevorderde moet alsnog geheel worden toegewezen. De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten moet als onvoldoende weersproken worden toegewezen. De wettelijke handelsrente is verschuldigd over de hoofdsom vanaf 7 juni 2017 (onweersproken de dag na de betalingstermijn vermeld op de factuur van 23 mei 2017; productie 13 inleidende dagvaarding). De wettelijke rente is verschuldigd over de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten vanaf 30 april 2018 (dag van de inleidende dagvaarding); geen onderbouwing is aangereikt voor een andere ingangsdatum. [de vennootschap] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

4.De uitspraak

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis;
en opnieuw rechtdoende
veroordeelt [de vennootschap] € 9.231,15 en € 836,56 aan [appellante] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW over € 9.231,15 vanaf 7 juni 2017, en met de wettelijke rente van art. 6:119 BW Pro over € 836,56 vanaf 30 april 2018, telkens tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [de vennootschap] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 85,44 aan dagvaardingskosten, op € 226,00 aan griffierecht en op € 300,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 103,58 aan dagvaardingskosten, op € 324,00 aan griffierecht en op € 1.074,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 20 december 2018 wat betreft de kosten in eerste aanleg dan wel het einde van voormelde termijn wat betreft de kosten in hoger beroep en de nakosten, telkens tot aan de dag der voldoening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2020.
griffier rolraadsheer