ECLI:NL:GHSHE:2020:1467

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 april 2020
Publicatiedatum
30 april 2020
Zaaknummer
200.275.408_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging van het faillissement van een natuurlijke persoon in hoger beroep met betrekking tot de gebrekkige instructie van de rechtbank

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 30 april 2020 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de faillietverklaring van [appellant], die eerder door de rechtbank Zeeland-West-Brabant was uitgesproken. De appellant, vertegenwoordigd door mr. I.A. Kwetters, verzocht het hof om het faillissementsvonnis te vernietigen, omdat hij van mening was dat de rechtbank hem onvoldoende had geïnstrueerd over de mogelijkheden voor een minnelijk traject. De appellant stelde dat hij niet goed was geïnformeerd over de vereisten voor schuldhulpverlening en dat hij hierdoor in een nadelige positie was gekomen. De geïntimeerde, [geïntimeerde], vertegenwoordigd door mr. M.W. Huijzer, verweerde zich door te stellen dat de appellant wel degelijk op de hoogte was van zijn verplichtingen en dat hij herhaaldelijk had gefaald in het nakomen van afspraken.

Het hof overwoog dat de faillissementsprocedure niet bedoeld is voor een uitgebreid feitenonderzoek, maar dat de rechtbank welwillend was geweest door de appellant extra tijd te geven om aan te tonen dat hij zich had aangemeld voor een minnelijk traject. Het hof concludeerde dat de appellant niet tijdig had gereageerd en dat hij niet was verschenen op de zitting van 3 maart 2020, wat zijn situatie verergerde. De grieven van de appellant werden verworpen, en het hof bekrachtigde de faillietverklaring, waarbij het opmerkte dat de appellant in de toekomst een verzoek tot omzetting van zijn faillissement in een schuldsaneringsregeling kan indienen.

De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van de schuldenaar in faillissementsprocedures en de noodzaak om tijdig en adequaat te reageren op juridische instructies. Het hof oordeelde dat er geen aanleiding was voor een kostenveroordeling, gezien de aard van de procedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 30 april 2020
Zaaknummer: 200.275.408/01
Insolventienummer (eerste aanleg): [insolventienummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. I.A. Kwetters te Breda,
tegen
[de vennootschap] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 maart 2020, waarbij [appellant] in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. S.B.M. Tilman te Breda als curator.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 maart 2020, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis en daarmee het faillissement te vernietigen.
2.2.
[geïntimeerde] heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie op 15 april 2020.
2.3.
In verband met de actuele coronacrisis heeft het hof partijen telefonisch benaderd met de vraag of zij bereid waren in te stemmen met een schriftelijke afwikkeling van onderhavige zaak. Zowel mr. Kwetters (namens [appellant] ), mr. Huijzer (namens [geïntimeerde] ) als mr. Tilman (curator) hebben hierop ingestemd met een schriftelijke afwikkeling zodat in onderhavige zaak geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de curator van 7 april 2020 in dit faillissement (welke brief met bijlagen - blijkens telefonische navraag door de griffie van het hof op 23 april 2020 - onverkort geldt in het faillissement van [echtgenote] , echtgenote van [appellant] en eveneens op dezelfde dag failliet verklaard) en van de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 14 april 2020.

3.De beoordeling

3.1.
Het faillissement van [appellant] is aangevraagd door [geïntimeerde] . [geïntimeerde] stelt in het inleidend verzoekschrift een opeisbare vordering te hebben op [appellant] van € 7.741,17, exclusief rente en kosten tot en met 31 mei 2019. Genoemd bedrag is gebaseerd op een huurovereenkomst met betrekking tot een mobiele woonunit. De vordering is, ondanks aanmaning, onbetaald gebleven. [appellant] zou ook andere schuldeisers onbetaald laten. Het faillissement van [appellant] is vervolgens bij het bestreden vonnis uitgesproken.
3.2.
[appellant] stelt in zijn beroepschrift – kort weergegeven – het volgende. [appellant] dient grieven in tegen de overwegingen van de rechtbank dat hij in staat van faillissement wordt verklaard. Inhoudelijk komen de grieven erop neer dat de rechtbank aan de inhoud van de behandeling niet toe had kunnen komen omdat zij onvoldoende duidelijk is geweest jegens [appellant] als leek in haar instructies over de mogelijkheid om een minnelijk traject in gang te zetten (en hoe). Daarbij wordt aanvullend nog opgemerkt dat het vonnis helemaal niets zegt over dit traject. Uit de procesinstructie in het proces-verbaal van de zitting van 18 februari 2020 volgt dat [appellant] in de gelegenheid werd gesteld zich aan te melden voor "een minnelijk traject". Hieruit volgt niet tot welke instellingen en/of (rechts)personen [appellant] zich dan diende te wenden en evenmin werd hem dit toegelicht. Dat [appellant] er op diende te letten dat het wel een tot uitvoering van minnelijke schuldhulpverlening bevoegde partij moest zijn, is hem niet uitgelegd. [appellant] werd aldus pas op 2 maart 2020 met deze bevoegdheidsvragen geconfronteerd. Ook op dat moment echter, vanuit zijn positie van leek, nog steeds onvolledig. Tijdens het telefoongesprek gaf de rechtbank namelijk slechts aan uit de op 2 maart 2020 ingediende stukken niet de bevoegdheid van Direct Schuldhulp te kunnen afleiden, om welke reden werd verzocht hierover nog nadere bewijsstukken te overleggen. [appellant] werd daarbij niet uitgelegd dat een partij als Direct Schuldhulp slechts tot uitvoering van schuldhulpverlening bevoegd is indien deze hiertoe bijvoorbeeld is gemandateerd door de gemeente en/of een gemeentelijke instelling/Kredietbank, bij gebreke van welk mandaat men dus alsnog - per omgaande - via de gemeente schuldhulpverlening diende aan te vragen. [appellant] heeft dan ook, vanuit de naïviteit van een leek, vertrouwd op de toezegging van Direct Schuldhulp dat laatstgenoemde contact met de rechtbank zou opnemen voor het oppakken van het probleem. [appellant] ging er daarbij vanuit dat er, zoals toegezegd, ook voor zou worden gezorgd dat desgewenst nadere bewijsstukken bij de rechtbank terecht zouden komen. De rechtbank had er, vanwege de beperkte procesinstructie en de telefonisch aan [appellant] doorgegeven informatie, niet vanuit mogen gaan dat het [appellant] duidelijk was geworden waaraan hij diende te voldoen. Met de op 2 maart 2020 afgegeven stukken, was immers wel duidelijk dat hij in de weken ervoor - tijdig - actie had ondernomen. Omdat vervolgens de telefonisch gemaakte opmerking van de rechtbank aan [appellant] voor leken gewoonweg onvoldoende concreet is geweest, is het op grond van de omschreven gang van zaken in strijd met de goede procesorde te beschouwen dat [appellant] op 3 maart 2020 toch meteen failliet werd verklaard en dat daarmee de behandeling van het faillissementsverzoek al werd gesloten. [appellant] had met het indienen van de stukken op 2 maart 2020 immers wél voldaan aan de door hem naar de letter opgevatte instructie uit het proces-verbaal van 18 februari 2020. In verband met het korte tijdsbestek tussen 2 maart 2020 en de vroege ochtend van 3 maart 2020 had de rechtbank bovendien moeten begrijpen dat het [appellant] vanwege zijn afhankelijkheid van een schuldhulpverleningsinstantie die meer duidelijkheid kon verschaffen over de al dan niet aanwezige bevoegdheid, misschien niet mogelijk was hierover nog tijdig nadere bewijsstukken van te overleggen.
Omdat verder uit het proces-verbaal van 18 februari 2020 volgt dat bij indiening van de
aanmeldingsstukken, de behandeling van het faillissementsverzoek niet zou worden
voortgezet, is [appellant] niet op de faillissementszitting van 3 maart 2020 verschenen.
Vanwege de toezegging van Direct Schuldhulp vertrouwde hij er immers op dat de rechtbank
nog tijdig vóór de faillissementszitting van 3 maart 2020 door hen nader én genoegzaam zou
worden bericht. Indien de rechtbank [appellant] tijdens het telefoongesprek van 2 maart 2020 zou hebben aangegeven dat hij, vanwege het korte tijdsbestek, in alle gevallen diende te verschijnen op 3 maart 2020, dan was hem dat duidelijk geweest zodat hij en zijn echtgenote deze instructie hadden kunnen opvolgen.
De grieven van [appellant] richten zich eveneens tegen de beslissing van de rechtbank hem in staat van faillissement te verklaren en dient in samenhang met hetgeen hiervoor werd omschreven over de gang van zaken tijdens de procedure en de in dat kader gegeven instructies door de
rechtbank te worden gelezen. [appellant] is van mening dat de rechtbank te gemakkelijk is voorbijgegaan aan het systeem van de wet, welke blijkt uit onder meer het doel/de strekking van de artikelen 3, 3a en 15b van de Faillissementswet. De gedachte achter deze bepalingen en dus het systeem is immers dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat natuurlijke personen failleren. De rechtbank lijkt door [appellant] eerst in de gelegenheid te hebben gesteld het bewijs van aanmelding aan te leveren, aanvankelijk het systeem van de wet te hebben willen volgen. Door het vervolgens failliet verklaren van [appellant] zonder de - weliswaar onvoldoende - aanmelding voor schuldhulpverlening daarbij in acht te nemen, heeft de rechtbank echter alsnog in weerwil van het systeem beslist.
Ondanks het feit dat dit beroepschrift zich richt tegen de gebrekkige instructie van de
rechtbank, valt [geïntimeerde] te verwijten dat zij heeft gepersisteerd in haar verzoek. In het proces-
verbaal van 3 maart 2020 valt namelijk te lezen dat de rechtbank [geïntimeerde] heeft voorgehouden dat [appellant] zich had aangemeld voor een minnelijk traject, teneinde een minnelijke regeling met de aanwezige schuldeisers te beproeven. [geïntimeerde] wist bovendien dat [appellant] al hard bezig was met het proberen zijn schuldenlast te regelen, hetgeen ook wel blijkt uit de
deelbetalingen die [appellant] kort voor het uitspreken van het faillissement aan [geïntimeerde] heeft
verricht. Met het tot stand komen van een minnelijke regeling, waarbij de uitvoering/begeleiding verdere waarborg voor de schuldeisers zou betekenen, zouden
schuldeisers sneller en bovendien beter geholpen zijn dan bij een faillietverklaring van [appellant] . Immers, in een faillissement of een WSNP-traject is het vanwege onder meer de
boedelkosten maar de vraag wat de schuldeisers uiteindelijk toekomt. Desondanks heeft [geïntimeerde] volhard in haar verzoek en verzocht per omgaande het faillissement uit te spreken. [geïntimeerde] dient om die reden te worden veroordeeld tot betaling van de kosten van de curator, alsook de proceskosten.
3.3.
Namens [geïntimeerde] is in het verweerschrift – zakelijk weergegeven – het volgende gesteld.
Het verzoekschrift tot faillietverklaring dat heeft geleid tot het faillissementsvonnis waartegen [appellant] in beroep komt, is het sluitstuk van een langdurige, tijdrovende en kostbare (incasso)procedure tegen [appellant] . Dit is reeds het tweede faillissementsverzoek en het eerdere faillissementsverzoek is, na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] , ingetrokken. Ook bij het eerdere faillissementsverzoek zal [appellant] derhalve door de rechtbank gewezen zijn op de mogelijkheid om een WSNP-verzoek in te dienen. Na indiening van faillissementsverzoeken tegen particulieren wordt daar immers altijd op gewezen door de griffie. [appellant] is echter op geen enkel punt de vaststellingsovereenkomst nagekomen. Keer op keer moest [geïntimeerde] er zelf achteraan gaan om [appellant] zover te krijgen dat kleine deelbetalingen werden verricht en keer op keer werden beloftes gedaan maar vervolgens niet nagekomen. Om die reden heeft [geïntimeerde] besloten nogmaals het faillissement aan te vragen. Ook na indiening van dit tweede faillissementsverzoek zal [appellant] een brief van de griffie hebben ontvangen, waarin hij is gewezen op de mogelijkheid om WSNP aan te vragen. Uit de stukken wordt duidelijk dat [appellant] ook niet onbekend is met de werking van de WSNP en de vereisten die aan toelating tot de WSNP worden gesteld. Ter zitting van 18 februari 2020 wordt immers aangegeven door zijn partner dat zij eerder hebben geprobeerd hulp te krijgen via de gemeente, maar dat dit werd afgewezen omdat [appellant] ZZP'er is. [appellant] heeft in het verleden ook juridische hulp gehad van mr. [mr.] ( [juridisch advies] Juridisch Advies).
Vervolgens merkt [geïntimeerde] op dat het beroepschrift zich met name richt tegen de rechtbank en niet zo zeer tegen [geïntimeerde] . De vordering van [geïntimeerde] wordt niet (langer) betwist en ook wordt niet (langer) betwist dat [appellant] verkeert in de toestand van artikel 1 Fw. Op die elementen gaat [geïntimeerde] daarom niet (langer) in. Dat [geïntimeerde] een opeisbare vordering heeft en dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden met betalen, staat immers wel vast.
Ter zitting van 18 februari 2020 is aan de orde geweest dat [appellant] al eerder via de gemeente heeft geprobeerd schuldhulpverlening te verkrijgen. Dat is toen niet gelukt omdat [appellant] zzp'er is. Opgemerkt wordt door zijn partner:
"Wij zijn zeker bereid om dit nogmaals te proberen."Daarmee werd bedoeld dat zij en [appellant] zeker bereid waren om nogmaals via de gemeente het minnelijke traject op te starten. Juist om die reden heeft de rechtbank, hoewel de zaak al lang speelde en [appellant] in feite weinig
"krediet"meer had, aan hem een laatste termijn gegund om te bewijzen dat hij zich nogmaals bij de gemeente had aangemeld voor schuldhulpverlening. Dat is immers de enige manier om zich aan te melden voor het minnelijke traject. Dat volgt niet alleen uit de wet, maar ook uit tal van publicaties vanuit de Rijksoverheid. Uit de bij het beroepschrift overgelegde stukken volgt overigens dat [appellant] reeds op 26 februari 2020 diverse stukken heeft ondertekend bij Direct Schuldhulp. Het is voor [geïntimeerde] daarom onbegrijpelijk dat deze stukken pas op 2 maart 2020, één dag voor de zitting van 3 maart 2020, aan de rechtbank zijn gestuurd. De rechtbank heeft direct op diezelfde dag gebeld om aan te geven dat sprake is van een instelling die niet voldoet aan de eisen van artikel 48 lid 1 WCK. Dat gaf [appellant] in ieder geval nog een dag om zijn zaakjes wel in orde te krijgen en alsnog een erkende instelling te benaderen. Dat heeft hij niet gedaan. Als hij gelijk op 26 februari 2020 (en niet op de laatste dag) zijn stukken zou hebben ingestuurd naar de rechtbank, dan had hij nog bijna een week gehad om een andere (erkende) partij te benaderen in plaats van Direct Schuldhulp. Het tijdgebrek na 2 maart 2020 is dus aan [appellant] zelf te wijten, aldus [geïntimeerde] .
Artikel 288 lid 2 sub b Fw waarin de eis wordt gesteld dat het minnelijk traject (de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling) moet worden uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK is van
dwingendrecht. De rechtbank heeft dus een juiste beslissing genomen door ambtshalve te toetsen of Direct Schuldhulp wel over de juiste erkenning beschikte. De rechtbank heeft zelfs meer gedaan dan wat van de rechtbank verlangd mocht worden nu de griffie direct na binnenkomst van de op 2 maart 2020 door [appellant] aangeleverde stukken telefonisch contact met [appellant] heeft opgenomen om hem op deze omissie te wijzen. [appellant] heeft hier kennelijk niets mee gedaan. Zeker tegen deze achtergrond is moeilijk vol te houden dat de rechtbank [appellant] als leek onduidelijk heeft geïnstrueerd. De term
"minnelijk traject''is wettelijk vastgelegd en heeft een juridische lading. [appellant] kende die lading vanuit eerdere contacten met de gemeente en met zijn jurist, althans behoorde die te kennen of had met een simpele zoekactie op internet de juiste informatie kunnen vinden op (o.a.) overheidswebsites. [appellant] doet zich naïever voor dan hij in werkelijkheid is.
Onbegrijpelijk is ook waarom [appellant] op 3 maart 2020 niet op de zitting aanwezig was. Hij was immers geïnformeerd over het feit dat Direct Schuldhulp niet voldeed als schuldhulpverlenende instantie, zodat de zitting van 3 maart 2020 gewoon door zou gaan. In zo'n geval komt men toch naar de zitting en probeert men daar een laatste termijn te vragen voor het alsnog op de juiste wijze benaderen van een schuldhulpverlenende instantie die wel aan de voorwaarden voldoet?
Op alle mogelijke manieren heeft de rechtbank [appellant] de hand boven het hoofd gehouden en hem keer op keer een laatste kans geboden. Het is alleszins terecht dat dit een keer ophoudt, zeker als men zelf de handdoek in de ring gooit en niet eens op de zitting (van 3 maart 2020) verschijnt. Dit klemt temeer nu een WSNP-traject überhaupt tot mislukken gedoemd zou zijn in de visie van [geïntimeerde] . [appellant] zegt immers zelf dat de gemeente eerder heeft aangegeven niet te kunnen beginnen zolang [appellant] zzp'er is. Bovendien meent [geïntimeerde] dat [appellant] niet de juiste attitude heeft voor een succesvol WSNP-traject en dat hij niet te goeder trouw is. Hij is immers met [geïntimeerde] bij herhaling vaststellingsovereenkomsten aangegaan in de wetenschap dat hij deze toch niet zou kunnen (gaan) nakomen. Bovendien twijfelt [geïntimeerde] aan de geloofwaardigheid van [appellant] . Op 18 februari 2020 verklaart [appellant] immers nog bij de rechtbank:
"metalleschuldeisers zijn regelingen getroffen, behalve met verzoekster".Uit de thans in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat er wel degelijk sprake is van talloze (althans meerdere) schuldeisers die in het kader van een minnelijk traject aangeschreven zijn of (moeten) worden.
3.4.
De curator heeft in zijn brief van 7 april 2020, onder verwijzing naar zijn faillissementsverslag van 3 april 2020, melding gemaakt van een preferente schuldenlast van € 3.956,00 en een concurrente schuldenlast van € 137.511,15, waarvan ongeveer
€ 53.000,00 aan schulden waarvoor [appellant] en [echtgenote] hoofdelijk verbonden zijn. De echtelijke woning heeft geen overwaarde. De curator acht [appellant] technisch failliet en stelt vast dat het beroepschrift zich niet richt tegen de faillissementssituatie. De curator refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vraag of het faillissement van [appellant] zal moeten worden vernietigd.
3.5.
Het hof overweegt het volgende.
3.5.1.
Het hof merkt allereerst op dat een faillissementsprocedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten en voor een uitgebreide bewijslevering, maar slechts een beperkte toetsing van de situatie ex nunc betreft. Daarbij is van belang de mate waarin de verzoeker van het faillissement zijn vordering heeft onderbouwd door overlegging van stukken en de mate waarin de vordering van de faillissementsaanvrager wordt betwist door de schuldenaar, en of sprake was en is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Het beroepschrift richt zich volledig op de gestelde door de rechtbank gemaakte fouten vóór uitspraak waarvan thans beroep. De vaststelling door de rechtbank dat sprake is van een vordering van de aanvrager, sprake is van pluraliteit en sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen, wordt niet bestreden, zoals de curator ook heeft vastgesteld. Aldus staat dat vast .
Weliswaar richten de grieven van [appellant] zich daarnaast (beroepschrift onderdeel 27) tevens tegen het doorzetten van de aanvrage door [geïntimeerde] , maar dat uitsluitend in het kader van de vraag wie, na vernietiging van het faillissement, de kosten van de curator zou dienen te dragen. [appellant] is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden [geïntimeerde] de betreffende kosten moet dragen.
3.5.2.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 18 februari 2020 heeft de rechtbank zich naar het oordeel van het hof uiterst welwillend jegens [appellant] opgesteld door hem niet (direct) de verplichting op te leggen, althans hem de mogelijkheid te bieden, om binnen twee weken daadwerkelijk een WSNP toelatingsverzoek als bedoeld in artikel 3 Fw in te dienen, maar hem uitsluitend op te dragen, althans in de gelegenheid te stellen, om binnen twee weken aantoonbaar de aan een dergelijk toelatingsverzoek voorafgaande voorfase te initiëren. Blijkens het proces-verbaal van voornoemde zitting heeft de rechtbank daartoe als volgt bepaald:
“Uit hetgeen gerekestreerde hebben verklaard maakt de rechtbank op dat zij een beroep wensen te doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank houdt de behandeling van de verzoeken tot faillietverklaring van de heer [appellant] en mevrouw [echtgenote] e/v [appellant] daarom aan teneinde de heer [appellant] en mevrouw [echtgenote] e/v [appellant] aan te melden voor het minnelijk traject. Het bewijs van aanmelding dienen zij binnen twee weken na heden aan de rechtbank te doen toekomen, bij het uitblijven waarvan de behandeling van de verzoeken tot faillietverklaring zullen worden voortgezet op3 maart 2020 te 09:30 uur. Partijen wordt aangezegd alsdan te verschijnen.”
3.5.3.
De schriftelijke berichtgeving van [appellant] aan de rechtbank met betrekking tot de door hem opgestarte voorfase heeft de rechtbank, blijkens haar ontvangstempel op het betreffende geschrift, eerst op 2 maart 2020, derhalve slechts één dag voorafgaand aan de geplande (voortgezette) mondelinge behandeling, bereikt. Omdat door de rechtbank op basis van deze stukken de bevoegdheid van de door [appellant] aangezochte schuldhulpverlener, Direct Schuldhulp, tot het entameren van een minnelijke traject - zoals dat wettelijk aan een toelatingsverzoek tot de schuldsaneringsregeling vooraf dient te gaan - niet kon worden vastgesteld, heeft de rechtbank telefonisch contact met [appellant] opgenomen en hem dit medegedeeld.
3.5.4.
Dat [appellant] deze informatie pas één dag vóór de geplande (voortgezette) mondelinge behandeling heeft ontvangen kan de rechtbank niet worden verweten. Dit nu [appellant] , blijkens de op de aanvraag vermelde datum van 1 maart 2020 deze ook pas op die datum naar de rechtbank verzonden heeft, alwaar deze een dag later werd ontvangen. Het hof concludeert dan ook dat de rechtbank niet in de gelegenheid is geweest om [appellant] eerder te wijzen op het feit dat de bevoegdheid van de door hem aangezochte schuldhulpverlener door haar niet kon worden vastgesteld.
3.5.5.
Het hof begrijpt dat het gelet op het vorengaande, na de telefonische mededeling van de rechtbank, voor [appellant] kort dag was geworden om nog vóór de mondelinge behandeling, welke immers een dag later gepland stond, op zoek te gaan naar een andere schuldhulpverlener. Toch is het hof van oordeel dat hij zich wel meer moeite had kunnen, feitelijk dienen te, getroosten teneinde zijn eigen belangen te behartigen dan thans gebleken is. [appellant] had de rechtbank om een aanhouding kunnen verzoeken, een andere schuldhulpverlener kunnen benaderen dan wel tenminste ter zitting kunnen verschijnen. [appellant] heeft dit allemaal nagelaten, hetgeen hem naar het oordeel van het hof te verwijten valt. Klaarblijkelijk heeft [appellant] klakkeloos vertrouwd op de mededeling van Direct Schuldhulp dat zij contact op zouden nemen met de rechtbank, daarbij alsnog haar bevoegdheid zou kunnen aantonen en indien nodig schriftelijke bewijsstukken hiervan aan de rechtbank zou doen toekomen.
Uit niets blijkt echter dat [appellant] de afwikkeling van deze hem door Direct Schuldhulp voorgehouden, dan wel door hemzelf veronderstelde gebeurtenissen op enig moment bij de rechtbank of Direct Schuldhulp vóór aanvang van de mondelinge behandeling heeft geverifieerd. Ook dit dient hem naar het oordeel van het hof nadrukkelijk te worden aangerekend.
3.5.6.
Vervolgens is [appellant] een dag later ook niet verschenen op de voortgezette mondelinge behandeling van het door [geïntimeerde] aangevraagde faillissement. Ten aanzien hiervan stelt [appellant] in zijn beroepschrift:
“Omdat verder uit het proces-verbaal van 18 februari 2020 volgt dat bij indiening van de
aanmeldingsstukken, de behandeling van het faillissementsverzoek niet zou worden
voortgezet, is [appellant] niet op de faillissementszitting van 3 maart 2020 verschenen.”
Hieruit volgt dat [appellant] er - zonder zich hiervan deugdelijk te vergewissen - vanuit is gegaan dat de hele situatie met betrekking tot de bevoegdheid van de door hem aangezochte schuldhulpverlener inmiddels alsnog in “kannen en kruiken” was en dat hij derhalve niet meer ter zitting hoefde te verschijnen. [appellant] geeft hier blijk van een weinig actieve (proces)houding en het hof is dan ook van oordeel dat alle (voor hem) nadelige gevolgen voor zijn rekening en risico dienen te komen. Zo zou bijvoorbeeld een telefoontje naar de rechtbank voldoende geweest zijn om te vernemen wat de actuele stand van zaken was en, belangrijker nog, dat de zitting van 3 maart 2020 gewoon door zou gaan. Het hof is dan ook van oordeel dat de door [appellant] gestelde verwarring, zo daar redelijkerwijs al sprake van zou kunnen zijn, geenszins door de rechtbank dan wel door de aanvrager van zijn faillissement veroorzaakt is.
Hierbij dient ook steeds te worden meegewogen dat de rechtbank geen enkele adviestaak in deze heeft en uitsluitend uit welwillendheid [appellant] feitelijk een extra termijn heeft gegeven.
3.5.7.
In ieder geval is in het onderhavige geval geen sprake geweest van een daadwerkelijk ingediend verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, zodat er evenmin een wettelijke reden voor de rechtbank was tot schorsing van de behandeling van het faillissementsverzoek.
3.5.8.
Mede gezien het feit dat de grieven van [appellant] gericht tegen het uitspreken van het faillissement uitsluitend zien op de communicatie met de rechtbank en niet op een betwisting van (een) schuld(en), een weerspreking van pluraliteit of een ontkenning van het verkeren in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, is het hof van oordeel dat het vonnis waarvan beroep, waarbij [appellant] in staat van faillissement verklaard is, dient te worden bekrachtigd.
Voor zover het deel van de grieven als opgenomen in onderdeel 27 van het beroepschrift bedoeld is om te betogen dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid is daartoe onvoldoende gesteld. Het stond [geïntimeerde] als crediteur in beginsel vrij het faillissement van [appellant] uit te lokken, zeker gezien de aan [appellant] eerder geboden mogelijkheden dat af te wenden.
Daarbij merkt het hof tot slot en wellicht ten overvloede op dat er voor [appellant] in beginsel niets aan in de weg staat om te zijner tijd te verzoeken om een omzetting van zijn faillissement in een schuldsaneringsregeling ex artikel 15 lid b Fw. Hierbij kan hij dan aandacht besteden aan hetgeen in zijn ogen is misgegaan in het kader van de communicatie met de rechtbank.
3.5.9.
De aard van de procedure brengt met zich dat er geen aanleiding bestaat voor een kostenveroordeling.
4. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2020.