Uitspraak
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2002,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak is het hof gevraagd om in hoger beroep te oordelen over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een 17-jarige dochter, die sinds januari 2019 in een pleeggezin verblijft. De ouders zijn het niet eens met de uithuisplaatsing en stellen dat het pleeggezin niet de juiste professionele hulp biedt, mede vanwege vermeende PTSS en andere bezwaren.
Het hof heeft de feiten en standpunten van alle partijen, waaronder de ouders, de gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming, zorgvuldig gewogen. Het hof constateert dat de minderjarige het goed doet in het pleeggezin, dat zij psychologische ondersteuning ontvangt en dat er geen aanwijzingen zijn voor de door de ouders gestelde ernstige psychiatrische problematiek.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld en dat het belang van de minderjarige bij het verblijf in het pleeggezin prevaleert. Tevens is het contact tussen de minderjarige en haar ouders en zusje al lange tijd verbroken, en de minderjarige zelf wil niet terug naar huis.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en benadrukt het belang van het spoedig herstel van het contact tussen de minderjarige en haar familie. De ouders hebben aangegeven hieraan onder professionele begeleiding te willen werken.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige in het pleeggezin.