Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5585805 / 16-7214)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 29 maart 2018;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- de door Freijn met een H16 formulier toegezonden beter leesbare exemplaren van reeds in het geding gebrachte producties 6, 7 en 8, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2019;
- het op 5 november 2019 gehouden pleidooi waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
“II. Relevant feitencomplex + nieuwe feiten”). Het hof zal dit overzicht niet aanmerken als een grief tegen de door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten (rov. 2.1 tot en met 2.4). Uit de formulering van de grieven en de gehele inhoud van de memorie van grieven blijkt namelijk onvoldoende duidelijk dat het de bedoeling was van [appellante] om de door de kantonrechter gegeven feitenvaststelling te bestrijden. In ieder geval blijkt uit de memorie van antwoord niet dat AVV Beheer dit als een grief heeft opgevat.
ECLI:NL:HR:2010:BM3980 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2010:BM3980)KPN/Tamminga) betoogd dat [beheermaatschappij] bij het aangaan van de huurovereenkomst onderzoek had moeten doen naar mogelijke gebreken aan het gehuurde. Het hof constateert dat de Hoge Raad in dat arrest heeft overwogen (rov. 5.2.2) dat het in beginsel aan de verhuurder is om,
voor zover daartoe aanleiding is, het door hem te verhuren pand te (doen) onderzoeken op gebreken alvorens het te verhuren. Het hof is van oordeel dat er geen, althans onvoldoende aanleiding was om het gehuurde te onderzoeken op een zodanige wijze dat de hier aan de orde zijnde gebreken aan het licht waren gekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende.