Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
voorlopigmede aan de vader toekomt, totdat hierop door de rechtbank nader is beslist.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak is de ondertoezichtstelling van een minderjarige door de rechtbank bevestigd in hoger beroep. De moeder was het niet eens met deze maatregel en stelde dat er geen sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Zij benadrukte haar stabiele thuissituatie, de goede omgang met de vader en haar medewerking aan hulpverlening.
De Raad voor de Kinderbescherming, de vader en de gecertificeerde instelling (GI) betoogden echter dat er al jarenlang ernstige zorgen zijn over de thuissituatie. De moeder accepteert de noodzakelijke hulpverlening onvoldoende, waardoor zicht op de situatie ontbreekt. De GI benadrukte het belang van een persoonlijkheidsonderzoek dat al tien jaar wordt nagestreefd maar niet is uitgevoerd.
Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling terecht is omdat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling en de moeder de noodzakelijke hulp niet daadwerkelijk accepteert. Ook is de ondertoezichtstelling niet beperkt tot omgangscontact, maar betreft een bredere zorg. Het beroep op het IVRK en EVRM faalt omdat de maatregel in het belang van het kind is. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt bekrachtigd vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende acceptatie van hulpverlening door de moeder.