ECLI:NL:GHSHE:2019:787
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging agentuurovereenkomst en geschil over concurrentie- en relatiebeding
In deze civiele zaak gaat het om het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in een geschil tussen een franchiseorganisatie en haar agent over de beëindiging van een agentuurovereenkomst en een service-overeenkomst.
De kern van het geschil betreft de vraag of de agent onrechtmatig heeft gehandeld door klanten en omzet buiten de franchiseorganisatie om te beheren en over te dragen aan een concurrerende vennootschap, en of zij gehouden is aan het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. Daarnaast spelen vorderingen tot schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging en niet-naleving van contractuele verplichtingen.
Het hof oordeelt dat de ziekte van de directeur/grootaandeelhouder en de transactie met de concurrent een dringende reden vormden voor beëindiging van de agentuurovereenkomst, waardoor geen vergoeding op grond van art. 7:439 lid Pro 1-2 BW verschuldigd is. Het beroep op art. 7:442 BW Pro door de agent wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering voor schadevergoeding wegens beëindiging van de service-overeenkomst wordt ongegrond verklaard.
Het hof benoemt een deskundige voor onderzoek naar de klantlijsten, omzetverantwoording en overdracht van activa, en wijst verdere beslissing aan. Het hoger beroep van de agent wordt deels afgewezen, het incidenteel appel van de franchiseorganisatie deels ontvankelijk verklaard. De zaak wordt aangehouden voor nadere procedure.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep deels af, benoemt een deskundige voor onderzoek en houdt verdere beslissing aan.