Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 8 mei 2018;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 14 november 2018;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 18 januari 2019, met het daarbij gevoegde document.
6.De verdere beoordeling
Vervolgens kreeg u van centralist dhr. [centralist] als van mij, dhr. [bedrijfsleider] (bedrijfsleider) de dienstopdracht om dhr. [een CZ patiënt] , een CZ patiënt, op te halen van de [adres] en hem naar huis te vervoeren.
“Er restte mij toen niets anders dan u op staande voet te ontslaan.”.Volgens [geïntimeerde] is dat niet op 17 september 2014 tegen haar gezegd. Volgens [geïntimeerde] werd haar dat pas op 18 september 2014 duidelijk, toen zij zich weer bij [de V.O.F.] meldde en aan haar werd medegedeeld dat zij op staande voet was ontslagen. [geïntimeerde] heeft echter zelf gesteld dat [bedrijfsleider] haar op 17 september 2017 heeft medegedeeld dat zij de sleutels van wagen 2 moest inleveren en moest opdonderen. Die stelling komt overeen met hetgeen [bedrijfsleider] als getuige heeft verklaard. Gelet op hetgeen daaraan vooraf was gegaan, kon bij [geïntimeerde] geen misverstand erover bestaan dat daarmee werd bedoeld dat zij per direct werd ontslagen. Dat blijkt ook uit het feit dat [geïntimeerde] meteen daarop de spullen op tafel heeft gegooid en is vertrokken. Evenmin kon er bij [geïntimeerde] twijfel over bestaan waarom zij werd ontslagen.