ECLI:NL:GHSHE:2019:4842

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 december 2019
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
20-002637-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in strafzaak over diefstal en opzetheling van bedrijfsgoederen

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor diefstal van diverse goederen uit een bedrijfspand en opzetheling van deze goederen. De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlasteleggingen en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.

Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet ontvankelijk was voor een deel van de tenlasteleggingen wegens strijd met artikel 404 Sv Pro. Voor het overige vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het hof sprak verdachte vrij van de primaire en subsidiaire diefstal ten laste gelegd, omdat het bewijs onvoldoende was. De verklaring van verdachte aan de politie werd niet als bruikbaar bewijs beschouwd.

Ten aanzien van de opzetheling verklaarde het hof verdachte schuldig en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van één maand. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet opnieuw beoordeeld omdat deze zich niet opnieuw had gevoegd in hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 5 december 2019 door de meervoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van diefstal en veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voor opzetheling.

Uitspraak

Parketnummer: 20-002637-18
Uitspraak: 5 december 2019
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2018 in de strafzaak met het parketnummer 01-860258-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder
1. primair en het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde, het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard en dit gekwalificeerd als
medeplegen van opzethelingen de verdachte daarvoor veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
Ten slotte heeft de rechtbank beslist omtrent het beslag.
Van de zijde van de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover het betrekking heeft op het onder 2 primair en
2 subsidiair ten laste gelegde en dat het hof het vonnis van de rechtbank voor het overige zal bevestigen.
Door en namens de verdachte is betoogd dat hij van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. Subsidiair is strafmatiging bepleit.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de daarvan opgemaakte ‘akte beroep’ is op 10 augustus 2018 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep van de verdachte richt zich dus (mede) tegen de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak van de verdachte van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van Pro het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde:
1.
dat hij in of omstreeks de periode van 29 november 2015 tot en met 1 december 2015 te 's Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit een bedrijfspand (gelegen aan [straatnaam] ):
- een (of meer) speaker(s) (merk Skytec, type SP800A) en/of
- een DMX Controller (merk Enttec) en/of
- een laptop (merk Dell Vostro, model 3700, met nummer [serienummer A] ) en/of
- een (of meer) tablet(s) (merk Samsung, type Galaxy tab mini en/of type GTP52 10 met serienummer [serienummer B] ) en/of
- een led paneel en/of
- een Usb dongle (merk Vodafone) en/of
- een simkaart (merk Vodafone) en/of
- een multimeter en/of
- een webcam (merk Logitech),
zijnde goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededaders, waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutels;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
dat hij in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 6 december 2015 te 's- Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een laptop (merk Dell Vostro, model 3700, met nummer [serienummer A] ) en/of een webcam (merk Logitech) en/of een (of meer) speaker(s) (merk Skytec, type SP800A) en/of een (of meer) tablet(s) (merk Samsung, type Galaxy tab mini en/of type GTP52 10 met serienummer [serienummer B] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededaders, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, maar met de verdediging, is het hof met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde van oordeel dat het voorhanden bewijs tekort schiet om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. Anders dan de rechtbank acht het hof de door de verdachte op 24 april 2016 tegenover de politie afgelegde verklaring niet bruikbaar voor het bewijs van het in deze zaak onder 1 subsidiair ten laste gelegde. De verdachte heeft immers op de vraag van de verhoorder, hoe het zit met die gestolen spullen, geantwoord:
“Ik moest die spullen bijhouden. Ik kreeg nog geld van [medeverdachte] . Ik ben toen zelf die spullen gaan verkopen.”Uit deze verklaring kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid welke gestolen spullen door de verdachte worden bedoeld. Naar het oordeel van het hof bestaat zelfs aanleiding om aan te nemen dat de verdachte in deze verklaring niet doelt op de goederen die bij de bedrijfsinbraak bij [benadeelde] zijn weggenomen. De verdachte verklaart immers, aansluitend op de hiervoor weergegeven passage:
“Ik was bij [winkel A] .”,waarna hij verklaart over een fiets
‘die hij had van [medeverdachte][het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ].
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Namens het slachtoffer [benadeelde] is in eerste aanleg in de hoedanigheid van benadeelde partij een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van haar oorspronkelijke vordering, zodat deze niet aan het oordeel van het hof onderworpen is.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. B. Stapert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van J.M.A.W. Koningstein, griffier,
en op 5 december 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. B. Stapert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.