Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,2. [geïntimeerde 2] ,3. [geïntimeerde 3] ,4. [geïntimeerde 4] ,
5.Het verloop van de procedure
6.De beoordeling
- De erven zijn de erfgenamen van [erflater] (hierna: [erflater] ). [erflater] is op 29 december 2014 is overleden.
- [erflater] was tot zijn overlijden eigenaar van de bedrijfsruimte en het daarboven gelegen appartement aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] .
- Bij huurovereenkomst van 6 maart 1995 heeft [erflater] de bedrijfsruimte ( [adres 1] te [plaats] ) met ingang van 1 maart 1995 voor de duur van 5 jaar verhuurd aan [appellant] . Bij aanhangsel van 29 september 1999 zijn [erflater] en [appellant] overeengekomen de huur vanaf 1 maart 2000 met een periode van 5 jaar te verlengen, dus tot en met 28 februari 2005. Ook daarna is de huur – kennelijk met wederzijdse instemming – blijven doorlopen.
- [appellant] exploiteert in de bedrijfsruimte een restaurant.
- [appellant] heeft vanaf maart 2014 geen huur meer betaald.
- [erflater] heeft [appellant] medio 2014 in rechte betrokken en in conventie veroordeling van [appellant] gevorderd tot – voor zover thans van belang – betaling van achterstallige huur. [appellant] heeft in die procedure in reconventie veroordeling van [erflater] tot herstel van gebreken gevorderd en vermindering van de huurprijs vanwege gebreken aan het gehuurde.
- Deze procedure is enkele maanden na het overlijden van [erflater] geëindigd met een vonnis van 25 maart 2015 van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, met zaaknummer 3146097 CV EXPL 14-6803. Bij dat vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [erflater] in conventie afgewezen en [erflater] in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter als volgt beslist:
- Tegen het vonnis is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het kracht van gewijsde heeft gekregen.
- In de loop van 2015, 2016 en de eerste helft van 2017 hebben de erven, allen wonende in Tunesië, geen herstelwerkzaamheden aan de bedrijfsruimte laten uitvoeren. [appellant] heeft ook nadat het vonnis van 25 maart 2015 was gewezen, geen huur betaald.
- De erven hebben bij de inleidende dagvaarding kopieën overgelegd van door een notaris opgestelde boedelvolmachten. Volgens de tekst van die boedelvolmachten hebben de erven de heer [gevolmachtigde van de erven] een onherroepelijke volmacht gegeven om hen te vertegenwoordigen ter zake van het beheer en de vereffening van de nalatenschap, en om hen te vertegenwoordigen bij beschikkingshandelingen over de goederen van de nalatenschap. Volgens de op de Franstalige versies van de volmachten geplaatste stempels, zijn deze volmachten in de loop van juni 2016 ondertekend.
- Op 20 juli 2017 heeft de heer [medewerker van wooncheckpoint] , werkzaam bij Wooncheckpunt B.V. te [vestigingsplaats] , in opdracht van [gevolmachtigde van de erven] contact opgenomen met [appellant] om namens de erven afspraken te maken over uit te voeren herstelwerkzaamheden aan het pand. [medewerker van wooncheckpoint] heeft de bedrijfsruimte en het daarboven gelegen appartement bezichtigd.
- Op 21 juli 2017 heeft [appellant] het vonnis van 25 maart 2015 op de voet van artikel 54 Rv Pro aan de erven laten betekenen, hen daarbij bevolen om aan het vonnis te voldoen en hen aangezegd dat hij bij gebreke daarvan de dan verbeurde dwangsommen zal opeisen.
- [appellant] heeft voorts op 21 juli 2017 conservatoir beslag laten leggen op het pand aan de [adres 1] en [adres 2] te [vestigingsplaats] , tot zekerheid van verhaal van een toekomstige vordering op de erven ter zake opeisbare dwangsommen.
- [appellant] heeft [gevolmachtigde van de erven] , [medewerker van wooncheckpoint] of de door hen ingeschakelde personen daarna in de periode tot aan het bestreden kortgedingvonnis van 25 januari 2018 geen toegang meer gegeven tot het bedrijfspand of het daarboven gelegen appartement, terwijl het betreden van het appartement van buitenaf niet mogelijk bleek omdat de deur op enigerlei wijze was geblokkeerd.
- [appellant] heeft bij exploot van 3 november 2017 aan de erven bevel laten doen om binnen 2 dagen € 60.000,-- aan op grond van het vonnis van 25 maart 29015 verbeurde dwangsommen te voldoen. De erven hebben niet aan dat bevel voldaan.
- [appellant] heeft bij exploot van 8 november 2017 aan ING Bank N.V., de hypotheekhouder, meegedeeld dat het conservatoir beslag executoriaal is geworden en dat ING Bank N.V., indien zij als eerste hypotheekhouder gebruik wenst te maken van het haar toekomende recht op uitwinning van het pand, dit voornemen binnen 14 dagen aan [appellant] dient aan te zeggen.
- I. [appellant] te verbieden de door hem gelegde executoriale beslagen te executeren tot twee weken nadat vonnis is gewezen in de bodemprocedure die de erven binnen twee weken na het te wijzen kortgedingvonnis aanhangig zullen maken, onder de voorwaarde dat die bodemprocedure binnen 14 dagen na betekening van het kortgedingvonnis aanhangig is gemaakt en onder de voorwaarde dat ook daadwerkelijk toegang tot het gehuurde is verkregen;
- II. veroordeling van [appellant] om binnen twee dagen na betekening van het kortgedingvonnis aan de erven en de door hen aangewezen personen toegang te verlenen tot het gehuurde en de boven het gehuurde gelegen ruimte, teneinde het gehuurde te inspecteren en voorbereidingen te treffen voor het herstellen van de gebreken zoals genoemd in het vonnis van 25 maart 2015, op straffe van een dwangsom;
- III. veroordeling van [appellant] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan de erven als voorschot op de door [appellant] verschuldigde huur € 25.000,-- te betalen;
- A. de in het vonnis van 25 maart 2015 gegeven veroordeling aan te passen in die zin dat het bedrag van de daarin vermelde dwangsom met ingang van de dag na betekening van het te wijzen vonnis wordt verhoogd tot € 5.000,-- per dag voor iedere dag dat de erven nalaten om aan het bij het vonnis van 25 maart 2015 gegeven bevel te voldoen, tot een maximum van € 150.000,--;
- B. veroordeling van de erven om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis een plan van aanpak met bijbehorende planning voor herstel van de in het vonnis van 25 maart 2015 genoemde gebreken aan [appellant] aan te leveren, op straffe van een dwangsom;
- Op grond van de door de erven in het geding gebrachte boedelvolmachten moet worden aangenomen dat de erven aan de heer [gevolmachtigde van de erven] een volmacht hebben verleend om voor hen op te treden bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] en bij het verrichten van beschikkingshandelingen over de goederen van de nalatenschap. [gevolmachtigde van de erven] heeft [medewerker van wooncheckpoint] ingeschakeld en was daartoe bevoegd. Voorts moet worden aangenomen dat [gevolmachtigde van de erven] opdracht heeft gegeven aan de advocaat van de erven om voor de erven op te treden (rov. 2.4, 5.2 en 5.3).
- [appellant] heeft de voor de erven optredende personen ten onrechte geen toegang verschaft tot de bedrijfsruimte en tot het daarboven gelegen appartement dat, gelet op de geblokkeerde buitendeur van het appartement, alleen via de bedrijfsruimte zonder het aanbrengen van schade kan worden bereikt. Door toegang te weigeren, heeft [appellant] het de erven onmogelijk gemaakt om aan de veroordeling tot het verrichten van herstelwerkzaamheden te voldoen. Daarom is niet aannemelijk dat in bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de erven dwangsommen hebben verbeurd. De vorderingen I en II zijn daarom toewijsbaar (rov. 5.8 tot en met 5.14).
- Volledige of gedeeltelijke opschorting van de betaling van de bij het vonnis van 25 maart 2015 verminderde huurprijs is in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd. [appellant] is in ieder geval de verminderde huurprijs verschuldigd vanaf de in het vonnis van 25 maart 2015 genoemde datum van 1 maart 2014. Vordering III is toewijsbaar (rov. 5.18 en 5.19).
- [appellant] verboden de door hem gelegde executoriale beslagen te executeren tot twee weken nadat vonnis is gewezen in de bodemprocedure die de erven binnen twee weken na het te wijzen kortgedingvonnis aanhangig zullen maken, onder de voorwaarde dat die bodemprocedure binnen 14 dagen na betekening van het kortgedingvonnis aanhangig is gemaakt en onder de voorwaarde dat ook daadwerkelijk toegang tot het gehuurde is verkregen;
- [appellant] veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan de erven c.s. en de door hen aangewezen personen toegang te verlenen tot het gehuurde en de boven het gehuurde gelegen ruimte, teneinde het gehuurde te inspecteren en voorbereidingen te treffen voor het herstellen van de gebreken zoals genoemd in het vonnis van 25 maart 2015, op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat [appellant] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 60.000,--;
- [appellant] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan de erven als voorschot op de door [appellant] verschuldigde huur € 25.000,-- te betalen;
- [appellant] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld, inclusief nakosten;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- Uit het oordeel in conventie volgt dat vordering A in reconventie (verhoging dwangsom uit vonnis van 25 maart 2015) niet toewijsbaar is (rov. 6.3 en 6.4).
- Gelet op de bereidheid van de erven om mee te werken aan een gezamenlijk plan van aanpak en een spoedige inzet van een aannemer om de herstellingen te verrichten, is vordering B in reconventie toewijsbaar, met dien verstande dat aanleiding bestaat voor matiging en maximering van de daaraan te verbinden dwangsom.
- de erven veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een plan van aanpak met bijbehorende planning voor herstel van de in het vonnis van 25 maart 2015 genoemde gebreken op te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of dagdeel dat de erven daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 60.000,--;
- de erven hoofdelijk in de proceskosten van het geding in reconventie veroordeeld, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente;
- het vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van de erven in conventie;
- veroordeling van de erven om aan [appellant] al datgene terug te betalen dat hij op grond van het bestreden vonnis aan de erven heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente;
- het alsnog toewijzen van vordering A in reconventie;
- de toewijzing van vordering B in stand te laten maar de daaraan verbonden dwangsommen te verhogen tot € 10.000,-- voor iedere dag of dagdeel dat de erven nalaten een plan van aanpak met bijbehorende planning voor het herstel aan [appellant] ter hand te stellen, met een maximum aan de verbeuren dwangsommen van € 100.000,--;
- € 60.000,-- wegens het niet voldoen aan de veroordeling tot herstel uit het vonnis van 25 maart 2015;
- € 60.000,-- wegens het niet voldoen aan de veroordeling tot het aanleveren van een plan van aanpak met bijbehorende planning voor herstel uit het bestreden kortgedingvonnis van 25 januari 2018.
- de afwijzing van vordering A in reconventie;
- de beslissing om aan de toewijzen van vordering B in reconventie een dwangsom te verbinden van € 1.000,-- per dag of dagdeel dat de erven daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 60.000,--.
7.De uitspraak
- wijst de vorderingen van de erven in conventie alsnog af;
- veroordeelt de erven in de proceskosten van het geding bij de voorzieningenrechter in conventie, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op € 291,-- aan griffierecht en op € 904,-- aan salaris advocaat;