Uitspraak
,zaakdoende en wonende te [zaak- en woonplaats] ,
,wonende te [woonplaats ] ,
11.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 8 januari 2019;
- de akte na tussenarrest met producties van de curator;
- de antwoordakte van [appellante] .
12.De verdere beoordeling
12.3.2. Een bedrag van € 1.081,50 hiervan ziet op 50% van de door [appellante] gemaakte hotelkosten (zowel voor als na faillissement), die door de curator niet in zijn betaling waren begrepen, maar waarover het hof heeft geoordeeld dat deze aan [appellante] toekomen. De curator heeft de hoogte hiervan niet meer betwist (akte na tussenarrest nr 39). Het bedrag ad
1.081,50dient de curator in ieder geval nog aan [appellante] te betalen.
is afgesproken” en dat het ook volkomen redelijk en voor de hand liggend is dat [appellante] enkel een percentage kan claimen over de omzet die direct uit haar arbeid voortvloeit, en dat haar vordering daartoe dan ook beperkt is en niet tevens kan zien op materiaalkosten e.a.
Het hof zal dit tegenbewijsaanbod honoreren als in het dictum te melden. Het lijkt het hof evenwel - mede gezien de grote hoeveelheid stukken die al zijn overgelegd - doelmatiger wanneer de tegenbewijslevering schriftelijk plaats zal vinden en de door de curator voor te brengen getuigen, die blijkens zijn aanbod alle geverseerd zijn in de tandheelkunde, hun bevindingen in heldere en chronologische overzichten op schrift stellen. Vervolgens zal [appellante] daarop dan schriftelijk mogen reageren.
(..) mbt de tandartsen. [tandarts 1] , [tandarts 2] , [tandarts 3] zijn volledig betaald- [appellante] , [tandarts 4] , [tandarts 5] zijn op de laa[t]
ste factuur na betaald. [tandarts 5] heeft (..) [tandarts 2] deed (..)”
(..) Ik bevestig hierbij dat van uw factuur van 31.5.2013 ten bedrage van 8.696,70 (..) slechts een deelbetaling is gedaan per bank van 2.000 euro (op 7.6.2013 1.000 euro en op 10.6.2013 nogmaals 1.000 euro)
minder betrouwbaar” is dan die van 30 juli 2013, is op zichzelf onvoldoende ter weerspreking van de stelling van [appellante] dat aan haar vóór faillissement slechts € 2.000,00 is betaald. Dit alleen al omdat de door de curator aangehaalde mail van 30 juli 2013 niets concreets bevat over de vorderingen van [appellante] , en de latere berichten van [de gefailleerde] wel (en deze ten overvloede nog gestaafd worden door de bankafschriften van [appellante] ). De curator heeft zijn stelling dat [appellante] vóór faillissement contant werd betaald, ook niet met enig nader bewijsstuk kunnen ondersteunen, noch heeft hij dit verder te bewijzen aangeboden.
€ 11.698,36.
geen transactie betreft als daar bedoeld” is dat naar het oordeel van het hof juist wel het geval. De tussen [appellante] en [de gefailleerde] /de boedel contractueel overeengekomen prestatie is een handelsovereenkomst als bedoeld in de wet. Het betreft immers een overeenkomst die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelden in de uitoefening van hun beroep of bedrijf, waaronder ook de beoefenaars van een vrij beroep vallen.