Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/326131/HA ZA 17-62)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;
- de akte van de gemeente;
- de antwoordakte van NHU;
- het pleidooi gehouden op 23 oktober 2019, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en de gemeente kopieën van foto’s in het geding heeft gebracht;
- de bij brief van 7 oktober 2019 door NHU toegezonden producties, die zij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
jegens NHUonrechtmatig is. Dit, omdat NHU, aan wie het besluit was gericht, geen bezwaar en beroep tegen dat besluit heeft ingesteld, maar alleen [eigenaar van het pand] en [indirect directeur-grootaandeelhouder van NHU] . De rechtbank heeft deze vraag aldus beantwoord dat in beginsel jegens NHU van de formele rechtskracht van het besluit van 18 juni 2013 dient te worden uitgegaan nu NHU de voor haar openstaande administratiefrechtelijke rechtsgang niet heeft benut. Volgens de rechtbank is in dit geval evenwel een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht gerechtvaardigd omdat de gemeente de onrechtmatigheid van het besluit onvoorwaardelijk heeft erkend (rov. 3.3 tot en met 3.9 van het vonnis waarvan beroep).
jegens NHUonrechtmatig is. Volgens NHU was dat in strijd met artikelen 24 en 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechtbank heeft daarmee het verweer van de gemeente aangevuld, aldus NHU. NHU stelt dat de gemeente in de conclusie van antwoord de onrechtmatigheid heeft erkend.
enigaandeelhouder is. Een en ander brengt mee dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de belangen van NHU en [indirect directeur-grootaandeelhouder van NHU] vereenzelvigd kunnen worden.
De (tweede) beslissing op bezwaar van 13 november 2015 is niet herroepen, ingetrokken of vernietigd. Dit besluit van 13 november 2014 heeft daarmee formele rechtskracht gekregen en moet voor rechtmatig worden gehouden. Daarmee is in rechte komen vast te staan dat het besluit van 18 juni 2013 tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang als onrechtmatig moet worden aangemerkt.”
jegensNHU. NHU heeft dit ook redelijkerwijs niet zo kunnen opvatten. De vraag of het besluit onrechtmatig is jegens NHU is immers eerst door de rechtbank tijdens de comparitie opgeworpen. In genoemde passage staat ook niet met zoveel woorden dat het besluit van 18 juni 2013 tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang als onrechtmatig moet worden aangemerkt jegens NHU
.Dit zo zijnde is van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 lid 1 Rv Pro geen sprake. Aan het daarvoor geldende vereiste van uitdrukkelijkheid en ondubbelzinnigheid is niet voldaan. Ook anderszins is niet gebleken dat de gemeente heeft erkend dat het besluit onrechtmatig is jegens NHU.
condicio sine qua non-verband) dient in deze tweede categorie van gevallen te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist of gehandeld indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. Gelet op de motivering van het besluit van 13 november 2015 is duidelijk dat het college van B en W ook dan handhavend zou zijn opgetreden. Het college van B en W geeft slechts aan dat het niet de bevoegdheid had
spoedeisendebestuursdwang toe te passen. Het stelt te hebben kunnen volstaan met een beschikking tot toepassing van bestuursdwang, zoals bedoeld in artikel 5:24 Awb Pro. Het blijft van oordeel dat de led-verlichting op 13 juni 2013 niet in werking had mogen zijn. Volgens het college was er sprake van een overtreding van artikel 114 APV Pro en had het ook op grond van artikel 12a lid 1, aanhef en onder b jo. artikel 13a van de Woningwet handhavend kunnen optreden. Overigens betwist NHU, zo is ook gebleken tijdens het pleidooi in hoger beroep, niet de gemeente handhavend zou zijn opgetreden tegen het in werking hebben van de led-verlichting.
condicio sine qua non-verband bestaat tussen een onrechtmatig besluit en de gestelde schade komt het in voormelde tweede categorie van gevallen erop aan welk rechtmatig besluit zou zijn genomen en of dit besluit dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Naar het oordeel van het hof zou het college van B en W, indien het zich ervan bewust was geweest dat het geen spoedeisende bestuursdwang mocht toepassen, een beschikking tot toepassing van bestuursdwang zoals bedoeld in artikel 5:24 Awb Pro wegens overtreding van artikel 114 APV Pro hebben gegeven om de led-verlichting buiten werking te stellen en zou zij dit ook hebben mogen doen. Dit besluit zou dezelfde schade tot gevolg hebben gehad, omdat NHU ook dan de huurders van de ruimtes van het pand geen gebruik had kunnen laten maken tegen betaling van de op het dak van het pand geplaatste reclamevoorziening.