De verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij een personenauto, eigendom van de benadeelde, had verduisterd door deze wederrechtelijk toe te eigenen nadat hij de auto anders dan door misdrijf onder zich had gekregen. Subsidiair werd hem heling ten laste gelegd. De politierechter veroordeelde de verdachte voor verduistering en verklaarde de benadeelde niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.
In hoger beroep stelde de advocaat-generaal dat de primair ten laste gelegde verduistering bewezen kon worden en vorderde een taakstraf. De verdediging pleitte integrale vrijspraak wegens gebrek aan wettig bewijs. Het hof stelde vast dat de verdachte de auto had verkregen door middel van oplichting, een misdrijf, omdat de betaling niet had plaatsgevonden en de verdachte onwaarheden had verklaard over de betaling.
Omdat verduistering alleen kan worden bewezen indien het goed anders dan door misdrijf onder zich is verkregen, kon de verdachte niet worden veroordeeld voor verduistering. Ook voor heling kon geen veroordeling volgen, omdat de verdachte de auto door een misdrijf had verkregen en heling in dat geval niet strafbaar is. De verdachte werd daarom vrijgesproken van beide tenlasteleggingen.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat geen straf of maatregel tegen de verdachte werd opgelegd. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van alle tenlasteleggingen.