Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 mei 2019;
- het V6-formulier met bijlage d.d. 1 november 2019 ingediend door de advocaat van de moeder.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2003, die sinds juni 2017 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die de ondertoezichtstelling verlengde tot juni 2020.
De moeder betoogt dat de ondertoezichtstelling niet nodig is omdat zij zelf hulpverlening heeft geregeld en de gezinsvoogd onvoldoende contact heeft gehad met de minderjarige. De GI stelt dat ondanks positieve ontwikkelingen, zoals het behalen van een diploma en het starten van een opleiding, de minderjarige een gesloten en geïsoleerde houding heeft en de noodzakelijke hulpverlening onvoldoende accepteert.
Het hof overweegt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de noodzakelijke zorg niet zonder ondertoezichtstelling kan worden gerealiseerd. De minderjarige werkt onvoldoende mee aan hulpverlening, waaronder een therapeutisch psychologisch onderzoek en een Functional Family Therapy traject, die alleen binnen het kader van de ondertoezichtstelling kunnen worden voortgezet. Daarom wordt de verlenging van de ondertoezichtstelling bekrachtigd.
Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 7 juni 2020 wordt bekrachtigd.