Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Prorail B.V.,gevestigd te Utrecht,
De Gemeente Best,gevestigd te Best,
Railinfratrust B.V.,gevestigd te Utrecht,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 24 januari 2017, waarbij de incidentele vorderingen van [appellant] zijn afgewezen met aanhouding van de beslissing over de proceskosten tot de einduitspraak in de hoofdzaak en de hoofdzaak is verwezen naar de rol voor de memorie van antwoord;
- de memorie van antwoord van Prorail;
- de producties 13a tot en met 17a van [appellant] , die zijn toegezonden bij brief van mr. M.H. den Otter van 14 augustus 2019;
- de producties 13 tot en met 18, die zijn toegezonden bij brief van mr. Van der Spek van 22 augustus 2019;
- de pleitnota van prof.mr. J.M. van Dunné namens [appellant] en de pleitnotities van mr. Ten Kate namens Prorail.
6.De verdere beoordeling
reeds op 19 november jl. aan Gemeente Best is geleverd, terwijl cliënt een recht van terugkoop heeft. Ook ten aanzien hiervan graag een verklaring. Immers indien het perceel inderdaad geleverd is aan Gemeente Best dan kunt u niet aan Uw contractuele verplichting(en) voldoen.
contra proferentem-regel bij uitleg van overeenkomsten (3.52 van de pleitnota) gaat niet op. Naar het oordeel van het hof is artikel 10 lid 1 onder Pro c niet zo onduidelijk dat deze regel hier toepassing vindt. Daarnaast zou dit slechts een gezichtspunt zijn dat in de gegeven omstandigheden niet van doorslaggevende betekenis is.