Uitspraak
,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak stond de vraag centraal of het gezamenlijk ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen moest worden beëindigd en aan één ouder moest worden toegekend. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag, stellende dat de communicatie tussen haar en de vader zeer moeizaam is en dat de kinderen daardoor klem zitten. De vader voerde aan dat hij het gezag wil behouden en dat hij een terughoudende rol speelt zonder het gezag te misbruiken.
Het hof heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen, waaronder de eerdere beschikking van de rechtbank, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, en de mening van de kinderen zelf, die niet wilden dat de vader het gezag behoudt. Het hof constateerde dat er geen contact is tussen vader en kinderen, en dat de communicatie tussen ouders moeizaam is, maar dat de vader geen gezagsbeslissingen blokkeert en de moeder niet belemmert in haar opvoeding.
Het hof oordeelde dat het gezamenlijk gezag in stand kan blijven omdat niet is gebleken van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem raken of verloren raken tussen de ouders, noch dat een eenhoofdig gezag noodzakelijk is in het belang van de kinderen. De weerstand van de kinderen tegen de vader en de spanningen in het gezin zijn onvoldoende onderbouwd om het gezag te wijzigen.
De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2018 waarin het gezamenlijk gezag werd gehandhaafd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en wijst het verzoek tot eenhoofdig gezag af.