Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de maatschap] ,
2. [geintimeerde 2] ,
3. Huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] B.V.,
4. [medical] Medical B.V.,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 26 februari 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- de door [appellante] ten behoeve van de comparitie van partijen ingezonden producties 9 tot en met 13;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 17 april 2019;
- de door [de maatschap c.s.] genomen memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi van 1 oktober 2019, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier van 16 september 2019 door [appellante] toegezonden productie 14, die [appellante] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;
- de bij H-formulier van 17 september 2019 door [de maatschap c.s.] toegezonden productie 5 en de bij H-formulier van 30 september 2019 door [de maatschap c.s.] toegezonden producties 6a, 6b en 7, welke producties [de maatschap c.s.] bij het pleidooi bij akte in het geding hebben gebracht.
6.De beoordeling
- [geintimeerde 2] houdt als huisarts via zijn eenmanszaak praktijk in [de maatschap] . [huisartsenpraktijk] en [medical] zijn eveneens als maten verbonden aan Huisartsenpraktijk [de maatschap] . [huisarts] (hierna: [huisarts] ) is tevens als huisarts in de praktijk werkzaam.
- Tussen [appellante] en [de maatschap] is omstreeks september 2016 een behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW Pro tot stand gekomen.
- In de periode van 5 oktober 2016 tot 9 november 2017 hebben diverse contacten plaatsgevonden tussen enerzijds [geintimeerde 2] of [huisarts] en anderzijds [appellante] . [de maatschap c.s.] hebben een verslag van een aantal van die contacten overgelegd als bijlage bij productie 1 in eerste aanleg.
- Op 28 september 2017 heeft [appellante] tegen [geintimeerde 2] een klacht ingediend bij een geschilleninstantie voor huisartsenzorg.
- Bij brief van 28 november 2017 hebben [geintimeerde 2] en [huisarts] namens [de maatschap] aan [appellante] medegedeeld dat de behandelingsovereenkomst per 21 december 2017 wordt opgezegd.
- Op 23 januari 2018 heeft [appellante] tegen [geintimeerde 2] een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg te [vestigingsplaats] (hierna: het tuchtcollege). In deze klacht heeft [appellante] onder meer gesteld dat [geintimeerde 2] de behandelingsovereenkomst ten onrechte heeft opgezegd en dat [geintimeerde 2] ten onrechte niet heeft meegewerkt aan correctie van het medisch dossier van [appellante] .
- Op 23 mei 2018 heeft het tuchtcollege een beslissing genomen op de door [appellante] ingediende klacht. In deze beslissing heeft het tuchtcollege de opzegging van [geintimeerde 2] getoetst aan de KNMG-richtlijn: “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelovereenkomst”. In de beslissing heeft het tuchtcollege onder meer het volgende overwogen:
- veroordeling van [de maatschap c.s.] om de behandelovereenkomst tussen partijen te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- veroordeling van [de maatschap c.s.] om de medicatie te hervatten dan wel voor te schrijven;
- [appellante] heeft er een spoedeisend belang bij dat haar vorderingen in kort geding worden beoordeeld (rov. 4.1).
- De vorderingen van [appellante] zijn in dit kort geding alleen toewijsbaar als aannemelijk is dat de bodemrechter, geconfronteerd met hetzelfde feitencomplex, tot toewijzing van de vorderingen zou komen (rov. 4.2).
- Voor zover [appellante] heeft willen betogen dat [geintimeerde 2] op grond van de uitspraak van het tuchtcollege gehouden was de behandelingsovereenkomst voort te zetten, berust dat betoog op een verkeerde lezing van die uitspraak. Het tuchtcollege heeft immers slechts aangegeven dat de opzegtermijn van drie weken niet redelijk was (rov. 4.3).
- De behandelingsovereenkomst is door [de maatschap c.s.] opgezegd vanwege een vertrouwensbreuk. Sinds de opzegging van de behandelingsovereenkomst is een jaar verstreken. In dat jaar heeft [geintimeerde 2] [appellante] ruimschoots in de gelegenheid gesteld een andere huisarts te zoeken. [appellante] heeft dat desondanks niet gedaan. In deze periode is de relatie tussen partijen verder verslechterd. Er is sprake van een aanzienlijk verstoorde relatie en een gebrek aan wederzijds vertrouwen. Herstel van de behandelingsovereen-komst is daarom niet in het belang van partijen. Verder heeft [appellante] ter mondelinge behandeling gesteld dat ‘ [geintimeerde 2] van haar af kan zijn’ door het inwilligen van haar verzoek om het medisch dossier aan te passen. Daaruit kan worden afgeleid dat het [appellante] ook niet daadwerkelijk te doen is om herstel van de behandelingsovereenkomst. Het is daarom niet aannemelijk dat de bodemrechter de vorderingen zal toewijzen (rov. 4.4).
- primair: veroordeling van [de maatschap c.s.] om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen arrest de opzegging van de behandelovereenkomst in te trekken, de zorg met onmiddellijke ingang te hervatten en de dienstverlening voort te zetten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- subsidiair: veroordeling van [de maatschap c.s.] om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen arrest de opzegging te vernietigen en de behandelovereenkomst tussen partijen te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- [de maatschap] de behandelingsovereenkomst op 28 november 2017 heeft opgezegd zonder dat daaraan een gewichtige reden ten grondslag lag;
- [de maatschap] bij het opzeggen van de behandelingsovereenkomst niet de daarvoor geldende zorgvuldigheidseisen in acht heeft genomen.