ECLI:NL:GHSHE:2019:386

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 februari 2019
Publicatiedatum
5 februari 2019
Zaaknummer
20-003206-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid openlijke geweldpleging

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor openlijke geweldpleging tegen twee personen te Cuijk. De rechtbank had verdachte vrijgesproken en de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De officier van justitie ging tegen deze uitspraak in hoger beroep en vorderde onder meer een taakstraf en schadevergoeding.

Tijdens het hoger beroep heeft het hof de stukken en het verhandelde ter terechtzitting zorgvuldig gewogen. Hoewel vaststaat dat openlijk en in vereniging geweld is gepleegd door een groep van zes tot acht mannen, kon niet overtuigend worden vastgesteld dat verdachte daarbij betrokken was. De herkenning van verdachte door een verbalisant was gebaseerd op een algemeen signalement en onvoldoende betrouwbaar.

Daarnaast bleek uit verklaringen van verdachte, zijn vriendin en de verbalisant dat verdachte slechts samen met zijn vriendin aanwezig was en niet in een grotere groep. Het hof verwierp daarom de vordering van de officier van justitie en bevestigde de vrijspraak van verdachte. De vorderingen van de benadeelde partijen werden eveneens niet toegewezen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs van betrokkenheid bij openlijke geweldpleging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-003206-15
Uitspraak : 4 februari 2019
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 5 oktober 2015 in de strafzaak met parketnummer
01-024107-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van openlijke geweldpleging tegen twee personen te Cuijk en zijn de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering en tevens veroordeeld in de kosten van verdachte, begroot op nihil.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde zal bewezen verklaren en verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens is gevorderd dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is gevorderd dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] wordt toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust.
Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat niet kan worden vastgesteld dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld. Hoewel uit de stukken van het geding blijkt dat openlijk en in vereniging geweld is gepleegd tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , bestaat onvoldoende overtuigend bewijs dat verdachte hierbij betrokken was. De herkenning van verdachte door [verbalisant] op basis van een hoofdzakelijk zeer algemeen signalement, brengt het hof niet tot een bewezenverklaring, ook niet indien de herkenning wordt bezien in samenhang met andere stukken van het geding. Daarbij komt dat door de aangevers en getuigen wordt gesproken over een groep van zes tot acht Marokkaanse mannen die het geweld hebben gepleegd. Uit de verklaringen van [verdachte] , zijn vriendin en die van [verbalisant] komt echter niet naar voren dat verdachte en zijn vriendin met een dergelijke groep in Cuijk waren, maar juist dat [verdachte] enkel samen met zijn vriendin daar was. Het hof verwerpt derhalve het standpunt van de advocaat-generaal dat verdachte betrokken was bij de openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J. Nederlof, voorzitter,
mr. R.C.A.M. Philippart en mr. C.M. Hilverda, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G. Pesselse, griffier,
en op 4 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.