Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5326138 CV EXPL 16-7313)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de zuivering van het verstek;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi van 27 augustus 2019, waarbij [geïntimeerde] pleitnotities heeft overgelegd.
€ 1.185,80.
€ 5.000,-- op 4 juni 2015 contant aan [geïntimeerde] heeft betaald. Dit geldt ook ten aanzien van het eerste deel van grief 3 welk deel eveneens betrekking heeft op het al dan niet bestaan van deze contante betaling.
-dat [geïntimeerde] deze verplichting heeft geschonden door in eerste aanleg de ontvangst van een contante betaling op 4 juni 2015 zonder nadere toelichting te hebben betwist, zowel voorafgaand aan de door de kantonrechter aan [appellant] verstrekte bewijsopdracht als daarna. Dit leidt in ieder geval tot een vernietiging van de door de kantonrechter uitgesproken kostenveroordeling nu er geen reden was tot het geven van de aan [appellant] gegeven bewijsopdracht als [geïntimeerde] zich aan deze verplichting had gehouden.