Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 7 november 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen van partijen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2018;
- de memorie van grieven van 27 februari 2018 met 14 producties, waarbij [appellante] haar eis heeft gewijzigd/verminderd;
- de memorie van antwoord van 22 mei 2018;
- het schriftelijk pleidooi van 17 juli 2018, ten bate waarvan partijen pleitnotities in het geding hebben gebracht.
6.De beoordeling
betalingvan bedragen, maar de
bepalingdaarvan. Omdat het hof van oordeel is dat die bepaling in elk geval met zich brengt dat [geïntimeerde] meer dan het in eerste instantie toegewezen bedrag verschuldigd is en voorts in hoger beroep niet de vernietiging is gevorderd van de beslissing om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 9.000,=, is het hof van oordeel dat geen grond bestaat om het vonnis in eerste aanleg te vernietigen. Het door [appellante] in hoger beroep gevorderde zal, voor zover toewijsbaar, worden toegewezen in aanvulling op hetgeen in eerste aanleg is beslist. Uit de aard van het in hoger beroep aanvullend gevorderde vloeit voort dat dit niet uitvoerbaar bij voorraad is.