Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[pleegvader],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak staat de omgangsregeling en zorgverdeling van twee minderjarige kinderen centraal, die sinds 2016 onder toezicht van de Gecertificeerde Instelling (GI) staan en in een pleeggezin verblijven. De ouders zijn in hoger beroep gegaan tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die de omgangsregeling wijzigde, waarbij de kinderen op woensdagmiddag en zaterdag bij de ouders verblijven, in plaats van vijf dagen per week met een overnachting.
De ouders betwisten de wijziging en stellen dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd waarom de regeling aangepast moest worden. Zij voeren aan dat de zorgen over het welzijn van de kinderen niet zijn toegenomen en dat de gewijzigde regeling de terugplaatsing bij de ouders bemoeilijkt. De GI stelt daarentegen dat de wijziging noodzakelijk is vanwege het verlengde ondertoezichtstelling, het perspectief van de kinderen in het pleegezin en zorgen over de opvoedcapaciteiten van de ouders.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:265g lid 1 BW de kinderrechter de zorg- en omgangsregeling kan wijzigen indien dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Gelet op het perspectief van de kinderen, hun behoefte aan stabiliteit en de positieve effecten van de huidige regeling, acht het hof de wijziging noodzakelijk en bekrachtigt het de beschikking van de rechtbank. De ouders worden in hun hoger beroep niet gevolgd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de gewijzigde omgangsregeling en wijst het hoger beroep van de ouders af.