Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het inleidend verzoek van de raad met bijlagen, ingekomen op 18 oktober 2018;
- de brief van de raad d.d. 3 januari 2019.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak heeft de Raad voor de Kinderbescherming hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige. De ouders van de minderjarige verleenden geen medewerking aan hulpverlening, terwijl er sprake was van een zorgelijke gezinssituatie. De zus van de minderjarige was reeds onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege een crisissituatie.
Het hof heeft vastgesteld dat de ouders niet verschenen zijn bij de zitting en de minderjarige geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zijn mening te geven. De raad kon geen contact krijgen met de ouders of de minderjarige, waardoor er geen zicht was op de actuele situatie. Uit het raadsrapport bleek dat de minderjarige ernstig probleemgedrag vertoonde.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro oordeelde het hof dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de raad toe voor de duur tot de meerderjarigheid van de minderjarige. De ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling toe en stelt de minderjarige onder toezicht tot zijn meerderjarigheid.